Stil worden in Talbot House

Bewaar deze plaats voor altijd’, ‘Mijn grootvader spendeerde vier jaar van zijn jonge leven voor onze vrijheid, voor verdraagzaamheid en voor vrede’, ‘There is one race. The Human Race. Live in it together’, ‘Mijn grootste wens. Dat we leren van deze verschrikkelijke tijd’, ‘gruwelijk en mooi’. Ik lees zelden gastenboeken als ik ergens kom, maar hier in ‘The Upper Room’ in Talbot House (Poperinge) ben ik ontroerd van wat bezoekers hebben nagelaten. Een zeer steile trap leidt naar een zolderkapel, een blik op de stemmige ruimte neemt me de adem af. Soldaten die de diepste ellende hadden meegemaakt, zochten hier wat rust, prevelden gebeden wellicht, zochten naar verklaringen voor het onverklaarbare.

Na een lezing en een gesprek met acht cursisten in de bibliotheek over de grotten van Lascaux en hun betekenis heeft Roza van Vormingplus Oostende-Westhoek het sublieme idee gehad me in Talbot House te slapen te leggen. Ik ben de enige gast en krijg ‘the General’s Room’ toegewezen. Eén van de belendende kamers is die van Tubby Clayton. ‘Ik herinner me een namiddag in deze huiselijke kleine kamer. Het theekransje bracht deze keer een generaal, een stafkapitein, een tweede luitenant en een Canadees soldaat bijeen. Een waarom niet eigenlijk? In een loopgravenoorlog –een strijd op leven en dood- is de kwestie niet wat je rang is, maar wie je bent”, geeft een grondplaat aan in drie talen. ‘All rank abondon’ staat op een deurplaat. In de kamer: een oude platendraaier, een werkburo met allerlei formulieren, enkele stoelen om bij te praten. Welke gesprekken werden hier gevoerd? Overheerste hier het gevoel van ‘A Pawn in their game, not fallen but pushed, with a Portland Stone bonnet forever’? , magistraal samengevat en vertolkt door het Engelse trio ‘Coop, Boys and Simpson’ die op Pasen naar ’t Ey in Belsele komen?

Een Engels koppel runt het huis na de daguren. Margaret verwelkomt me met ‘you must be Stephen’; met veel liefde voor het huis, de geschiedenis en de gasten loodst ze me door de kamers van het gelijkvloers. Eén van de pronkstukken is de piano. Er was geen rang of stand tussen de officieren, soldaten, andere graden… in dit huis. De tuin was de grootste kamer en moet als een oase zijn geweest voor het eindeloze slijk aan het front. Tot vijfhonderd mannen konden in dit huis verblijven, ze moeten overal gelegen hebben, niet zo comfortabel als mijn overnachting. Nu ik hier helemaal alleen ben is het moeilijk voor te stellen hoe overvol het huis was. Om tien uur opent het belendende museum. Ik snuister nog even in de lokale boekhandel. Mijn rugzak is gevuld met literatuur over de oudste tijden, cursussen van het Davidsfonds over de knie van de Oost-Afrikaan Lucy of de mysterieuze stippen in de grot van Lascaux’ en ik zeul ook met ‘De Bonobo en de tien geboden’ van Frans de waal over moraal en religie en wie er het eerste was. Er is geen betere plek om ‘Oorlog en terpentijn’ van Hertmans te lezen, ik wacht geduldig tot mijn moeder de laatste pagina van haar kerstkado heeft omgedraaid (en wens haar zelf nog vele bladzijden).

Een gedicht van Diane Wilson uit 2008 achteraan in de tuin van Talbot House vat alles samen: ‘Men walked through a great white door to sink into comradeship and hope. Men relaxed from the times when death dragged them, from nightmares (…)’. Het museum is gratis voor de residenten van het huis. Marilyn suggereert me om te starten met de film van The Happy Hoppers, een remake met amateur-acteurs. De korte film evoceert een ‘Concert Party’. De Happy Hoppers moesten ook op verplaatsing het moreel van de soldaten opvijzelen, voor vertier zorgen aan het front. In die zin waren ze ook niet ideologisch neutraal. Eén van de zangers is .. Lester Simson. Het document is zondermeer subliem. Historisch correct maar de spelers zijn wel te goed doorvoed zegt de dame die het museum runt. De struisvogelact is een topsketch maar ‘Follow me home’ van een soldaat uit het publiek met diepe trieste ogen boort recht naar het hart. 

Ik zak terug naar het nulde verdiep en ontmoet er Philip Clayton (alias Tubby), als kapelaan door de Engelse kerk uitgestuurd om Talbot House te runnen. Een bijzondere persoonlijkheid! Enkele pancartes zoemen in op de aanwezigheid van Chinese soldaten. Er zijn foto’s die tonen hoe ze hun Chinese Nieuwjaar vieren op de markt van Poperinge. Tubby noemt Poperinge ‘de enige vrije Belgische stad, dicht genoeg aan het front om direct toegangkelijk te zijn voor de ergste slachtoffers, en ver genoeg om niet in een haast zekere ruïne te worden herschapen’.  Zodoende: ‘Poperinge werd een metropool, niet door verdienste maar door de logica van haar ligging’ (opgetekend in 1919). Ik geef Harvey Cushing die op een medische post werkt het woord: ‘Rond zeven uur deze morgen verloor de wereld deze fijne jongen’ (30/08/1917). In het museum stuit je voortdurend op beklijvende citaten.

In een bijpaviljoen is een tijdelijke tentoonstelling rond het thema ‘kinderen in de eerste wereldoorlog’. Een Engelse video met originele beelden uit 1914 kluistert me aan een scherm. Het bij-museum verhaalt ook de miserie van anderhalf miljoen (!) vluchtelingen in België, de Groote Oorlog wordt hier door de lens van doodgewone mensen benaderd, een facet dat vaak onderbelicht wordt in de meeste geschiedenisboeken. Zwart-wit-foto’s van kinderen met schamel speelgoed, kinderen die naar een dood paard staren, kinderen die met sneeuwballen gooien, een loopwedstrijd … het speelgoed in de vitrinekasten is ontleend aan het speelgoedmuseum in Mechelen, toevallig mijn vorige museumbezoek.

De toon van de tentoonstelling is sterk pacifistisch, er is duiding bij de immoraliteit van de oorlogspers en de manier waarop kinderen bij de ‘glorie van de slagvelden’ werden betrokken. Rudyard Kipling verliest zijn zoon John en wordt verteerd door schuldgevoelens en bitterheid: ‘If any question why we died. Tell them, because our fathers lied’. Naarmate de oorlog vorderde kwamen meer en meer kinderen in de loopgraven terecht. Een citaat van Jeanne Battheu, inwoonster van Poperinge grijpt weeral recht naar de keel: ‘Ik ben nooit kind geweest. Al wat ik wist, waren soldaten, bombardementen, ’s nachts liggen in de grachten, altijd op de loop. En tasjes melk geven aan de soldaten die gepakt waren van de gaze. Ik zal dat nooit, nooit van z’n leven vergeten. En we waren nog zo klein. Ik ben nooit kind geweest.’

Jeanne was zes jaar toen ze Talbot House op een Sinterklaasfeest voor het eerst binnenkwam, ze speelde er deuntjes op de piano tot haar 91ste. Bij ‘It’s a long long trail’ denk ik altijd aan Vera Coomans.

Voor de tweede keer beklim ik de steile trap naar de kapel, deze keer met een tablet in mijn handen. Ik verneem dat er soms 150 soldaten hier de mis bijwoonden en vijftig die er beneden stonden, die er niet meer bijkonden. Tubby zei over deze plek dat ze Talbot House ondersteboven hebben gebouwd, dat je er de fundamenten onder het dak vond. Toen Tubby er toekwam in het begin van de oorlog vond hij enkel een lege zolder, hij moest improviseren om er een kapel van te maken.

Tubby is als spiritueel aanspreekpunt diep bedroefd bij de dood van Archie Forrest: ‘Archie springt eruit in mijn herinneringen’, tekent hij op. Deze twintigjarige soldaat sterft bij Ieper maar kreeg enkele weken daarvoor zijn eerste communie van Tubby.

Ik krijg nu extra uitleg bij de ‘General’s Bedroom’ waar ik zo vredevol kon rusten na mijn afdalingen in menige Franse en Waalse grot. Het was het kleinste kamertje in het huis. Een officier die hier zijn intrek wou nemen moest vijf frank betalen en kreeg maar één laken ‘dat altijd jammer genoeg in de was zat’. Tubby inde het geld volgens het Robin Hood-principe: ‘De rijken beroven om aan de armen te geven’.

Op de terugweg via Elverdinge plooifiets ik me door de vette klei naar het ‘Gwalia kerkhof’ (470 graven). Stenen uit Portland, de leeftijden van de soldaten doen steeds weer huiveren. Velen zijn zo jong als mijn zoon Joachim. ‘Only the swallows and your postcards came home …’

Na Elverdinge, Zuidschoote, Steenstraat. Langs het kanaal Ieper-Ijzer fiets ik naar het monument voor de gebroeders Van Raemdonck en Aime Fievez die hier op 26 maart 1917 allen stierven. Op de weg naar Diksmuide ben ik plots weer verbonden met mijn eigen regio, Edward en Frans waren oorlogsvrijwilligers uit ‘Temsche’. De gedenksteen meldt dat ze ‘hier sneuvelden in elkaars armen na een nachtaanval op het stampkot’. Aime was afkomstig uit Calonne.

Ik passeer Woumen. Eén kleine trieste herinnering. Toen ik bij de miniemen van SKD Hertsberge een bescheiden maar stabiele plek als rechtsback wist aan te houden rond mijn tiende levensjaar stonden de bordjes 0-6. Woumen vormde zo het strijdtoneel voor één van onze zeldzame overwinningen. Toen we een penalty in ons voordeel kregen, deed ik een aanvraag om deze te mogen trappen maar de kapitein wilde zijn persoonlijke doelschuttersstand opkrikken. Jeugdtrauma’s. Terwijl ik een pannekoek eet neemt een zwaar gehandicapte jongen de bus naar Klerken. La Flandre profonde. Ik fiets naar de Dodengang. Foto’s die de dood ongenadig tonen.

Ik eindig mijn bezoeken in Vladslo bij de Duitse Militaire begraafplaats, een laatste rustplaats voor 25.644 Duitse doden.

Op deze site staat het indrukwekkende beeldhouwwerk ‘Het treurende echtpaar’, dat Käthe Kollwitz voor haar begraven zoon Peter en zijn kameraden maakte. ‘Vladslo’ van Willem Vermandere evoceert het Praetbos subliem maar ook Geert Mak schrijft in ‘In Europa’ hele treffende volzinnen over deze Duitse vrouw: “Ik droomde dat we met veel mensen in een grote hal waren. Iemand riep: ‘Waar is Peter?’ Hij riep het zelf, ik zag het donkere profiel van zijn gestalte tegenover iets lichts staan. Ik ging naar hem toe, omvatte hem, maar durfde hem niet aan te kijken, bang dat hij het toch niet zou zijn. Ik keek naar zijn voeten en het waren de zijne, naar zijn arm, zijn hand, het waren allemaal de zijne, maar ik wist dat wanneer ik zijn gezicht wilde zien, ik weer zou weten dat hij dood was.”

Vladslo, Ichtegem, Torhout, Ruddervoorde, Hertsberge. De kleine geschiedenis van de eeuwige jongens van Chiro Sparregalm tot leven wekken. Ons eigen erfgoedproject met vrienden realiseren.

Stefaan Segaert, educatief medewerker Vormingplus Waas-en-Dender,

febr 2014