Balkan 2009

Reis door de Balkan die sporen nalaat

20 mei – 31 mei 2009

Eén grote hindernis is genomen : de fiets in de fietszak waarbij het stuur eruit priemt, bedekt met Chiropull, is op de nachttrein van Utrecht naar München geraakt. Zonder boze blikken, de Duitse spoorbeambte is behulpzaam. Ik ben amper weg en al twee koppels wereldfietsers ontmoet. Inge en Bas fietsen straks in Drenthe maar deden ook al tochtjes naar Kaapstad (helemaal door Afrika), Ecuador en de Noordkaap. Inge was voorzitster van de Wereldfietser in Nederland, kent dus Paul en Hennie die in februari nog een lezing kwamen geven in de kapel van de gevangenis. Op het perron in Utrecht twee krasse vijftigers op doorreis naar Oostenrijk. In 2008 trokken ze in groep met 12 naar Peking. Fietsten voor een goed doel via Berlijn, Polen, Baltische staten, Moskou en Kazan … Meeste indruk maakte de 500 km Gobi-woestijn, zand en zand en 50 graden. Een koppel dat meeluistert laat vallen dat ze wel graag fietsen maar niet zo “wild”. Ik vind wilden zalige mensen. Hun verhalen over het Chinese platteland zijn fascinerend. En hoe de autoriteiten hen uit een straatarm dorp joegen wegens “not to be seen by foreigners”.

Dag 1. 21u30. We naderen de Duitse grens. Geheime kamers van Jeroen Brouwers leest als een sneltrein. Vanuit München trein ik richting Klagenfurt, mijn halte is Villach. Pas vier uur later heb ik een verbinding naar Zagreb. Misschien dat ik dus al mijn eerste tocht maak in Slovenië tot in Jesenice of Kranj op 30 km van Lljublijana . Maar er worden stijgingspercentages van 18% gesignaleerd door Thomas de zich 14 dagen in Slovenië gaat afbeulen. In het restaurant geraak ik aan de praat met Ina, een Spaanse veearts, geëmigreerd van Barcelona naar Beieren. Ze toont me de Alpen die links van me opdoemen. Tussen Vilach en Jesenice wordt een brug gebouwd. Op de kaart ziet de afstand er zeer onschuldig uit. “Even naar de volgende halte fietsen” wordt echter een ware helletocht.

Ik moet me kompleet leegrijden om op tijd mijn verbinding naar Lljublijana, Zagreb en Banja Luka te halen. Bepaalde tracés – ik doe een omweg via Italië – lijken wel uit de koninginneritten van de giro geplukt, tot overmaat van ramp volg ik een doodlopend fietspad. Ik verlies mijn T-shirt , mijn hele reisvoorbereiding glijdt uit mijn fietstas. Ze waaien net niet in de Sava, een wild kolkend riviertje dat me tot Jesenica vergezelt. Ik vloek en beloof mezelf dat ik mezelf niet meer ga afjakkeren. Een doofstomme man voelt mijn ontreddering perfect aan en helpt mijn fiets demonteren en voor de tweede keer in de zak op te bergen. Ik heb zin om een potje te huilen in de armen van de man, hij lijkt me de enige op aarde te zijn die mijn afgepeigerde lichaam aanvoelt. 65 km zijn precies 250 km.

Op vlak van voeding leef ik op gedroogde vijgen en water, proviand een reiziger onwaardig. Met al die verbeterpunten val ik tussen Lljublijana en Zagreb in slaap.

Hoe is het toch mogelijk dat ik op de dag die niet voorzien is om te fietsen, al meteen over mijn plafond ga ? Als een zombie, uitgeteld, mijn maag doet raar en ik vrees ook een kleine zonneslag te hebben opgelopen. Ik zou 5 dagen kunnen slapen, af en toe eens in “Geheime Kamers” bladeren en weer eindeloos stilvallen.

We staan stil in Maribor en er gebeurt wat : 10 Kroatische politiemensen voeren een Agathie Christie-plot op. Murder on a train ? De Kroaten zorgen meteen voor suspense. Twee Amerikaanse toeristen worden aan een spervuur van vragen onderworpen.

Van de hemel naar de hel op enkele uren tijd. Ik ontmoet Goran op de nachttrein naar Sarajevo. Toen de oorlog uitbrak ging hij naar Australië uitwijken met zijn gezin. Toen de oorlog ophield trok hij van Melbourne naar Banja Luka zijn thuisstad terug. De pollutie in de Balkan en het gebrek aan interesse in de politiek maken hem zorgen. Tegelijk heeft hij zelf alle geloof in de politiek verloren . Hij houdt van simpele levenswaarden : Help elke dag je medemens waar je kan. Prompt breekt hij zijn banaan in twee en deelt rozijnen. Hij maakt me wegwijs via kaarten in Bosnië en oriënteert me in Banja Luka .

Om 1u38 ’s nachts staat Michael Stechow me op te wachten. Via www.warmshowers.com en couchsurfing contacteerde ik hem voor een slaapplaats. Hij is van de staat Georgia in de VS, maar werkte lange tijd in Kosovo als rechterhand van de premier tussen 1993 en 1999. Bijna elk Kosovaars gezin wordt door iemand van het buitenland financieel gesteund, reageert hij op mijn vraag naar de socio-economische situatie in 1 jaar nieuwe staat. En elk artikel of boek over de kwestie Kosovo is enkel waar vanuit het standpunt van de regisseur van het artikel, voegt hij meteen toe duidend op de komplexiteit van Kosovo. De “couch” is gedekt, aangevuld met koude spaghetti en tomaat. Ik schrok als een bezetene . Slaap als een roos.

Vrijdag 22 mei. Ik bezoek de stad. Kerken, oude ruïne, de Vrbas die ik zal volgen tot in Donji Vakuf, 25 km over Jajce. Ik laat me rondleiden in de universiteitsbibliotheek zonder veel modern management. Alle mensen die ik contacteer – of ze nu Engels of enkel Bosnisch kunnen – zijn ontzettend behulpzaam. Eens ze je vertrouwen serveren ze de lekkerste Turkse koffie(drab), leggen ze de weg uit met handen en voeten. Driekwart denkt dat ik Amerkaan ben. De fietstocht naar Jajce is één van de mooiste tochten die ik ooit ondernam. Imposante rotsmassa’s, altijd de nu eens wildkolkende dan weer kabbelende Vrbas als vaste partner, de verkeersdrukte valt mee dankzij een internationaal treffen rafting. Na Jajce pers ik de laatste kilometers uit mijn benen tot in Donji Vakuf.

Morgen gaat de tocht naar Travnik en Zenica. Pizza en een zacht bed zijn vlug gevonden. Het valt op hoeveel gezinnen kleine boeren zijn. Opvallend veel Moslimvrouwen staan met primitieve kappers tussen aardappelen en paprikaplanten het veld te bewerken. De dorpen stralen een enorme rust uit, iedereen is nog druk in de weer nu de hitte is gevallen. Overdag ontmoet ik roofvogels en slangen op mijn tocht die de warmte van het asfalt opzoeken. Het is werkelijk bloedheet, de vele tunnels door stukken berg zorgen voor afkoeling. Ik besproei mijn rug en armen voortdurend maar kan niet vermijden dat mijn huid roodgeblakerd wordt. Bij elke beweging trekt mijn huid samen. Heel wat huizen zijn in renovatie maar de talrijke kogelgaten herinneren voortdurend aan de recente oorlog. Het is zo’n paradox met het vredig boerenleven dat hier tien jaar geleden mensen op elkaar schoten. Als ik een grootmoedertje haar huis fotografeer vraagt ze me geld. Het leven is hier voor mij zo spotgoedkoop dat ik soms verbaasd naar prijzen zit te staren. Ik herinner me de woorden van Rodica in Roemenië : mensen moeten drie jobs kombineren om rond te komen, hier zal het wellicht niet anders zijn. Een kleine koffie een halve euro, vegetarische pizza slechts twee en een halve. Er wordt veel gezwaaid op mijn gewuif. Stiekem fotografeer ik af en toe de dorpsbewoners, dank je Anna om met het te lenen net als je roze portefeuille.

Zaterdag . Prachtige lastige tocht naar Travnik.

Steil, ook truckers slepen zich naar boven. In Travnik is er een pak geschiedenis bewaard gebleven. Prachtige moskee, oude ruIne van een kasteel uit de dertiende eeuw. De uitstekende gids over Bosnië-Herzegovina die ik per toeval in België vond, komt uitstekend van pas voor de nodige duiding en lokaties. De weg naar Zenica is minder fraai, veel baanwinkels en vrachtwagens die me al toeterend passeren. De zon brandt minder dan gisteren maar de rug en de linkerknie geven signalen van oververmoeidheid. Ik slaag er niet in om vijf postzegels te kopen, sommige mensen kun je niets wijsmaken.

Het station van Zenica lijkt wel een spookplek. Zenica is de vierde stad van Bosnië en toch is dit een godvergeten plek. Informatie over de trein naar Tuzla is al helemaal onbegonnen werk. De trein van 14u45 blijkt om 16u30 naar Sarajevo te rijden. Iemand van het spoorwegpersoneel maant me tot twee maal toe om bij mijn fiets te blijven. Ik zie nochtans enkel gehandicapten en 80-plussers die hier de tijd doden. Een oude vrouw klautert van een al even oude trein die ze net een opruimbeurt gaf. Deze plek heeft veel weg van Absurdistan en geknipt voor een volgende film van Kusturica. Op deze zaterdag vertrekken hier zo’n 5tal treinen en ik tel evenveel personeel. De dienstverlening zou ook vijf keer beter kunnen. Met de trein reizen lijkt wel iets voor supermarginalen en toegegeven, zo zie ik er langzamerhand ook wel uit.

Als ik een gesprek start met iemand op mijn zitbank luistert het hele perron met open ogen en oren mee. Het lijkt wel 50 jaar geleden dat hier een niet-Bosniër nog eens de trein nam.

Vandaag startte ik mijn gesprekken niet meer met ‘Do you speak English ?’ maar ik brabbel meteen iets Bosnisch met mijn beste Balkan-tongval en tracht zo “on speaking terms” te komen.

In het busstation is dat niet eens nodig. Nu het Bosnisch treinverkeer me in de steek liet, wil ik een laatste wanhoopspoging ondernemen om met de fiets per bus in Tuzla te geraken. Driemaal werf hoera : niet eens onmogelijk ! Om kwart voor vijf belandt de fiets in het benedendek van de bus en drie uur later via Zavidovici en Banovici ben ik in Tuzla. Sarajevo bewaren we voor een andere keer met Ronny Verrewaere en kombineren we met Srebrenica en Macedonië.

Zenica is ook al weer een fascinerende stad . Schakers in het park, de fruitmarkt, de woonblokken, uitstervende industrie … ik kom weeral ogen tekort om alles in me op te nemen. Op de bus ontmoet ik Marka die tijdens de oorlog naar Duitsland en Melbourne uitweek en in 1996 terug haar leven in Tuzla opnam. Ze maakt me wegwijs in Tuzla en suggereert me morgen de bus naar Belgrado te nemen.

In het alweer godvergeten stationsoord van Tuzla (derde grootste stad van Bosnië) bevestigen ze het vertrek van 7u22 naar Belgrado. De enige activiteit in het station bestaat uit drie treinbeambten die sardines bakken in hun werkruimte. Schitterend gewoon en zeker het feit dat één van de drie Engels spreekt. In Tuzla zelf heerst een enorme drukte op zaterdagavond. Het is echt nog op de koppen lopen in de winkelstraten. Het doet me heel erg aan de sfeer van Tessaloniki denken met zijn broeierige kroegen . De parallellen tussen Zuid- en Zuidoost-Europa zijn legio.

Zondag 6u15. Nu de naam Djokic is gevallen, de killer van Wolfsburg die de Rode Duivels voortdurend te snel af was, kan het hier niet meer stuk. Muhamed biedt me echte Turkse koffie aan in de werkruimte. Zelfs de naam van Vandereycken is gekend. De weg naar Zuid-Afrika is nog lang maar het volk leeft intens mee met zijn helden. De trein is aandoenlijk ouderwets maar de zetels zijn zacht. De fietstas komt weeral goed van pas. Dank je wel , Stefanie ! De tocht zou via Kroatië en Servië naar Roemenië gaan.

De vriendschap tussen België en Bosnië bereikt een hoogtepunt : ik krijg vrijstelling van betaling van de treinreis. Aandoenlijk toch ? Ik bereid me al voor op Kroatië en probeer enkele Kroatische sporthelden voor de geest te halen. Blanka Vlasic, Ivan Leko en Djukovic zullen misschien volstaan ?

Voor het eerst ook een meer diepgaand gesprek met Nurfet, eerst zwijgzaam maar in het Duits geraken we op dreef.

Tijdens de oorlog was hij hier en in 1997 enkele maanden in Duitsland waar zijn moeder nog altijd woont. Alles wat nationaal-socialisme aangaat is slecht, laat hij vallen. Wat me opnieuw opvalt is de totale degout en ongeloof in het politieke bestel. Bosnië-Herzegovina zal eerder in 2030 bij de Europese Unie aansluiten dan in 2012, qua optimisme kan dat tellen. Deze generatie politici kan niets meer goed doen, lijkt wel. Verbijsterend hoe ver het dan toch is kunnen komen, het lijkt wel of het ondenkbare zich toch gruwelijk heeft voltrokken op commando van een minderheid. Het zijn vragen die ik verder met schrijver Johan de Boose Kroatië-kenner wil opnemen.

De trein nadert de Kroatische grens, 13 jaar geleden was dit hier nog oorlogszone. Vanuit Vinkovici passeren we in de buurt van Vukovar op de grens met Servië. Plaatsen die nog altijd natrillen in de recente Europese geschiedenis.

Over de Sava geraakt die de grens markeert tussen Bosnië en Kroatië. Opnieuw uitgebreide paspoortkontrole en niemand die Engels of Duits kan. De dochter van de kaartjesknipper woont warempel in Merksem. Meteen goed voor een verbroedering met Sarajevisch bier en cognac in een fantaflesje. Weigeren is niet aan de orde. Ook stukjes gebakken rund moet ik proeven. Tevergeefs probeert hij zijn dochter te bellen zodat ik met haar “gezellig kan keuvelen”.

Grenspost. Wachten op trein naar Vinkovci. Twee Kroatische grenswachters voor 2 treinreizigers. Niemand die me de reden kan vertellen voor dit uitgebreide netwerk van grenskontroles. Het lijkt wel een traditie die nu eenmaal in stand moet worden gehouden. In tegenstelling tot de totale afwezigheid van enige drukte, rinkelt de telefoon voortdurend in het bureau van de treinoverste. Zondag is op deze plek wellicht een dag om vrienden en familie op te bellen ….

Ze lijken onderdeel van een verouderd ambtenarensysteem maar blijven altijd opnieuw ontzettend behulpzaam. Ik krijg voortdurend sigaretten aangeboden en de verdere treinroute wordt in een soort pan-Europese brico-taal en op briefjes geconstrueerd. Je bent een curiosum maar op de verkeerde trein zal je hier niet stappen.

Een norse Kroatische dikkerd heeft problemen met het vervoer van de fiets. Hij drijft het echter niet op de spits. Via Otok slentert het verder naar Vinkovci. 1 uur wachttijd.

Twee oudere mannen schuifelen mee in mijn couchet. Éen lijkt een kopie van de grootvader uit ‘Black cat White cat’ die op zolder verrijst uit zijn ijsbad waar hij gewaand werd dood te zijn. Uit het gebekvecht tussen die twee, eerst over wie er waar mag zitten, leid ik af dat één van de twee Kroaat is, de andere Serviër. Om de haverklap valt het woord Serbska of communista , Albanski, Kosovo waaruit ik denk te mogen afleiden dat de gesprekken op het scherpst van de politieke snede verlopen. Buiten hun tong zijn ze beide op een punt in hun leven gekomen dat samenvalt met aftakeling.

Aan de grens met Servië : weeral een uitgebreide troepenmacht, mijn naam wordt letter per letter doorgeseind naar een centrale, het geeft een gevoel van paranoia. Flikken, flikken en nog eens flikken. Straks vragen ze me nog een Servische vertaling van mijn kritische artikels over de kwestie Kosovo uit mijn rugzak.

Ik stel me al voor dat mijn peperkoek van Devreese, Lokerse droge worsten en gembertheebuiltjes aan een vivisectie worden onderworpen. De eerste Serviërs die ik mag aanschouwen zien eruit zoals ik dacht dat Serviërs eruit zien : groot, trotse moustache, hemd uit de broek, overzicht bewaren …

Ik vermoed dat we al twee uur treinen over amper 50 kilometer. En dit werd aangekondigd als een snelle lijn. Eén troost : in mijn reispas is eindelijk een stempel geplaatst alsof deze zinloze checks toch een zekere finaliteit in zich dragen. De oudjes zijn intussen gestopt met bekvechten. De Kroaat telt nu zijn pillendozen (ik vermoed 30 !!!) , een deel daarvan moet tegen het beven zijn bedoeld. Ik weet opeens niet meer zo zeker of ik wel oud wil worden.

Een fiets in een zak is vooral een fiets en geen zak, redeneert de spoorwegmaatschappij in Servië. Eerst moet ik zeven euro betalen, daarna moet ik smeken om een betaalbewijs. Als ik vraag of dit geldig is tot aan de Roemeense grens, wordt het bedrag plots verminderd tot 10 Bosnische Marken. Een Balkansom leert dus dat : 10 BM = 300 Dinar = 5 euro. Gevoel van Absurdistan overmeestert me terug.

We treinen door landbouwgebied. De dorpen zien er arm uit, de huizen klein, elk zijn containerpark voor de deur. We stappen in Ruma-Pyma, 14u35. De Kroaat sukkelt zich een weg naar buiten. 20 Servische jonge gasten bezetten nu de gang , grote flessen Pivo in de hand. Putunci. Misschien zijn ze mijn fiets aan het demonteren ? In dat geval verklaar ik me een fervent supporter van Milan Jovanovic om het tij te keren. Stara Pazova. Nova Pazova. Ik hoor gerinkel van mijn fietsbel en ga dan maar op wacht staan. Liederen over Kosovo brullen door de gang. Ik probeer het vertrouwen vooral van de aangeschoten jongeren te winnen. Als ze maar met hun poten van mijn fiets blijven. Mijn vermoeden klopt : dit zijn ultra’s die om 17 uur de laatste gratis competitiematch van Rode Ster Belgrado bijwonen. Alles wat ik al las over deze opgehitste kern klopt : ze haten Kroaten en vooral die van Dynamo Zagreb, ze dagen me uit over de Kosovo-kwestie en omringd door 20 hooligans en een monteerbare fiets ga ik nu het standpunt van Groen! niet vertolken. Ze wijzen me op ‘the shame of Belgrado’ : een immens zigeunerkamp met hallucinante beelden. Eén van de gasten zegt : We are gypsies too. Betalen voor deze rit doen ze niet. Gewoon omdat ze met meer zijn dan de konducteur. En in Servië kun je volgens hen twee dingen doen : voetbal kijken en vechten (en de meisjes volgen). Ze vragen of ik wel kondooms ken met mijn vier kinderen. Ik verklaar me meteen ook Standard-supporter, het Jovanovic-effect mist zijn doel niet. Ze identificeren zich radicaal met hun club.

Eén vonk is genoeg om er een razende bende van te maken. Dit soort groepsdruk vind ik zelf beangstigend en ik zou niet graag het jeugdhuis leiden die deze groep dagelijks over de vloer krijgt. En zeker niet in bezopen toestand …

Laten we eerlijk zijn : in België waren dit toekomstige bajesklanten, hier vertegenwoordigen ze een deel van de publieke opinie, zij het dan in cantusvorm. Het is een explosieve cocktail van gebrek aan perspectief, internationaal isolement en ervaren van vijandigheid en identificatie met voetbalhelden. Voer voor sociologen en Europarlementsleden. De jongeren eigenen zich het recht toe om te vechten. Het is een kwestie van de sterkste te blijven, verklaren ze. Ze nodigen me uit om mee naar het voetbal te gaan, het vertrouwen kan nu niet meer stuk. Ik ben blij als ze luid schallend de trein verlaten en mijn fiets nog intact is. In Timisoara zal ik vaststellen dat ze een sluitpin van mijn zadel hebben afgetrokken ….

Belgrado ziet er vanuit urbanistisch standpunt verschrikkelijk uit, net als mijn treincoupé naar Lugoj : afgeleefd en grauw. De trein naar Timisoara haalt eindelijk een aangename snelheid. Benieuwd hoe lang mijn vreugde zal duren. Een afgeleefde Chinees vult mijn coupé.

Hoe marginaal kun je zijn ? Chinees in Belgrado op een trein naar Roemenië. Denken ze wellicht ook als ze me zien sjouwen met een fiets, fietstas, rugzak … Verdoeme , dat Servisch treinpersoneel begint me op de heupen te werken. Ze zijn uitgesproken racistisch en bot tegen Aziaten en ze proberen me weeral geld af te troggelen.

Mijn fietsbiljet geldt enkel tot in Belgrado. Ik verstop mijn briefje van 20 euro en bied eerst mijn Bosnisch wisselgeld aan. Ze lachen me uit, en laten de zaak rusten. Halt aan de corruptie !

Een fiets is dus een melkkoe. Ik begin te twijfelen aan mijn terugtocht langs de Donau tot in Belgrado. Het heeft veel weg van een fietsmars door vijandelijk gebied. Tot spijt van alle leuke Serviërs : ik heb er nog geen ontmoet, laat staan aanmoediging omdat je hun land doorkruist. Tot nu toe was Servië een oefening in beleefdheid en afbijten. In Bosnië was dat nergens voor nodig. De armoede is hier een deel van het straatbeeld, veel nadrukkelijker dan in Bosnië.

Intussen is het opnieuw niet de bedoeling dat het enigszins vooruit gaat, maar daar heb ik me al bij neergelegd. En oud vrouwtje schuifelt voorbij, ik glimlach, zij glimlacht. Niet alle Serviërs zijn klootzakken. K heb een Servische vrouw gevonden die Engels spreekt. Mijn cynisme over Servië kan ze wel smaken. Ze tolkt mijn vragen over de reisroute naar de stugge beambten en samen komen we tot de vaststelling dat deze trein gewoon naar Timisoara doorrijdt. En dus niet via Lugoj zoals de NMBS-site in februari aangaf. Na 12 uur trein is dat een meevaller.

Vrbas. De sterk bewapende Roemeense politie is op klopjacht naar alcohol, sigaretten. Zelf dacht ik eerder aan Servische mensenhandel, prostitutieslachtoffers gebonden aan de onderkant van het treinchassis. Van al die kontroles krijg je de neiging er een schepje bovenop te doen.

Ik ben blij dat ik straks enkele dagen geen grenzen meer over moet. Grenzen oversteken kan u ernstige psychische schade opleveren, zoiets …

Aan de Roemeense grensovergang valt ze me meteen op : na zoveel mannen, milde en norse te hebben getrotseerd vind ik dat ik recht heb op een vrouwelijk exemplaar. Niets van, ze kiest voor de andere kant van de trein en dus onderga ik gedwee de laatste ambtenaren van de dag. Het is al na elf uur ’s avonds als mijn trein Timisoara binnenrijdt. Met pinkers op rijdt ik 35 kum per uur achter een Roemeense blondine die me voorstelt de weg naar het hotel voor te rijden …

Het bezoek op 24 mei aan de Arad Maximum Security Prison is zeer interessant. Een zeer jonge directeur staat ons te woord. Er zijn drie locaties : vrouwen-, mannenafdeling en een vormingscentrum voor bewakend personeel. Alle delicten komen hier voor, 2006 is in et Roemeense penitentiair en strafrechtelijk landschap een mijlpaal. Als gedetineerde kun je nu evolueren van een streng naar een milder regime. Arad zal zich in een maximum ‘security’ specialiseren in de toekomst, bedoeld voor lang-of levenslang gestraften. Binnen de lichtste straffen is er veel focus op arbeid en penitentiair verlof.

In Arad kunnen de mannelijke gedetineerden één keer per drie maanden ongestoord bezoek krijgen. Werk is sinds 2006 niet langer verplicht. Wie werkt ontvangt loon en heeft recht op een kortere straf. De gedetineerden moeten geen uniformen meer dragen sinds 2006. Er is een grote vooruitgang in de relatie tussen bewakers en gedetineerden . De zelfmoordcijfers, verbaal geweld, suïcidaal gedrag is sinds 2006 sterk gedaald. De diploma’s die kunnen gehaald worden zijn niet gevangenisgerelateerd. Er is veel nadruk op reïntegratiegerichte activiteiten via sociaal-cultureel werk en een ploeg maatschappelijk werkers. 2001 is een ander referentiejaar waarin sindsdien veel mogelijk werd op vlak van participatie aan activiteiten. In het geïndividualiseerd detentieplan zijn veel linken voorzien naar de familie. De gevangenis is momenteel voor 2/3 volzet : 900 mannen , 170 vrouwen op een andere lokatie. De gevangenis telt 500 personeelsleden en er is een milde en taaie vakbond laat de directeur vallen. Er is een zeer tot indrukwekkend aanbod van persoonsgerichte, sportieve, ontspannende, artistieke en therapeutische activiteiten. E nadruk ligt op stimuleren van de deelname, het personeel kampt wel met veel bureaucratie en papieren werk om iedereen op zijn bestemming te krijgen. Er is geen psychiatrische hulpverlening, deze groepen met ernstige problemen worden naar gespecialiseerde klinieken getransfereerd. Qua drugs : er was de afgelopen drie jaar één poging om drugs binnen te smokkelen. Mobiele telefoon is een groter smokkelprobleem.

Qua bezoekregime : het strikste regime kent 2 bezoekbeurten per maand, de minderjarigen 8 beurten. Roemenië telt 30 “echte” gevangenissen, 20 miljoen inwoners en er verblijven 26.000 gevangenen. Er wordt sinds kort meer en meer geëxperimenteerd met trajecten buiten de gevangenis. Voor levenslang gestraften kan de reclassering pas na 20 jaar starten. Straffen tussen 10 en 25 jaar moeten voor drie vierde worden uitgezeten, tussen 1 en 10 jaar moet twee derde worden geteld. Bij gedragsproblemen van een gedetineerde kan er maximum één jaar bijkomen. Er verblijven weinig niet–Roemenen in de gevangenissen. Recidivisme ? Sinds 2006 kwamen 900 mensen vrij en keerden 39 personen terug, cijfers die natuurlijk verdere analyse vragen.

De kers op de taart van de rondleiding is een prachtige kapel, er werd twee jaar aan gewerkt, een priester deed supervisie over houtbewerkers, metsers en schilders.

Normaal verblijven 5 personen in een cel. Kai de Deen merkt op “they are jumping from the bad to the very good”. We krijgen nog zicht op de voetbalkoer. De werkers hebben recht op één uur wandeling, niet-werkers drie uur. In de werkhuizen werden sofa’s voor Zwitserland gemaakt.

Meer dan 20 organisaties komen binnen . Om te eindigen een gek beeld : de gesloten wandeling voor langgestraften bevindt zich op het dak van hun paviljoen.

Na de maaltijd in de gevangenis – de directeur staat erop te zeggen dat de gedetineerden hetzelfde eten krijgen – kuier ik door Arad, bezoek zijn kerk en zijn station, schrijf kaartjes en neem de trein naar Timisoara in een trein met airco.

26 mei. Zelfs op de meest godvergeten plekken staan een soort treinwachters wortel te schieten tussen de Roemeense grens en Pancevo. Ik doorkruis maisvelden op weg naar professor

Jasmina Nicolic. Via e-mail kwamen we in contact met elkaar. Haar CV is ronduit indrukwekkend. Haar specialisatie ligt in slachtoffergerichte thema’s, mensenhandel en intrafamiliaal geweld in de Servische samenleving. Heidi zou nog meer dan ik op het puntje van haar stoel hebben gezeten … Ik heb 17 vragen voorbereid en zie geweldig uit naar dit gesprek. Ik hoop dat het me de kans geeft meer inzicht te krijgen in schuld, boete en herstel in Servië. Ik heb ook de Kompas vrij-gids mee in mijn rugzak waar ze enthousiast op reageerde in eerdere mails. Ik ben best wel trots dat ons Europees eindprodukt tentakels krijgt tot in Belgrado. In gedachten fantaseer ik al over een nieuwe Europese dynamiek rond thema’s als “restorative justice” tussen België en deze Balkanstaat. Misschien zijn er binnen EPOS wel fondsen om Jasmina naar Gent uit te nodigen ? Ze kan in onze caravan slapen om de kosten te drukken …

Jasmina vertelt me dat nogal wat vrouwelijke langgestraften verkiezen om in de gevangenis te verblijven in plaats van hun reïntegratie uit te bouwen. Zo slecht is het gesteld met de opvang van Servische vrouwen na detentie. Verstoten van familie, ook het vroegere dorp is vaak geen optie meer. Geen werk , geen inkomen.

Positief is dan weer dat er sinds enkele jaren ook een beweging op gang komt die straffen buiten de gevangenis regelen. Vooralsnog een kleine maar onomkeerbare beweging stelt Jasmina. We praten verder over de positie van de Roma, de leefomstandigheden in de gevangenissen, het voorbeeld van Arad, de vrouwelijke (sexuele exploitatie) en mannelijke (economische uitbuiting) variant op de mensenhandel, de evolutie in het denken en handelen bij politie en hulpverlening rond huiselijk geweld. Voor dit gesprek moest ik negen uur treinen en om vijf uur opstaan maar ik heb het nog geen moment beklaagd. We beloven met elkaar in contact te blijven en ze overlaadt me met zeer interessante Engelse en Servische publicaties van haar NGO. Ze laat nog vallen Astrid Rubbens van het Steunpunt te kennen en Inge Vandewalle. Servië haalde al behoorlijk wat mosterd rond slachtofferhulp in België en Vlaanderen.

Na mijn eerste visuele schok van zondag met Belgrado ben ik benieuwd welk effect deze drie miljoen-koppige stad op me zal hebben. Een krantenartikel las dat er nog weinig littekens te zien zijn van de NVO-bombardementen. De Sint-Sava kerk is prachtig om te zien, de tweede grootste orthodoxe kerk ter wereld na de Agia Sophia in Istanbul . De stad barst uit zijn voegen. De economische crisis doet mensen versneld en massaal naar de stedelijke regio van Belgrado trekken. Op het eind van mijn drie uur durende wandeling zie ik de enorme verwoestingen van de bommen. Mijn gedachten gaan naar Jelena Novakovic die in haar boek beschrijft hoe in Belgrado de oorlog door gewone mensen wordt beleefd. Op een aangrijpende manier doet ze relaas over haar beleving, die van haar gezin, de buren …

Jasmina Nicolic en haar NGO hebben onderzoek gedaan naar de maatschappelijke positie van oorlogsveteranen uit ex-Joegoslavië. Ze doen aanbevelingen welke rol ze kunnen spelen in educatief vredeswerk. Enkele citaten uit ‘Oh where have you been, my blue-eyed son ?’ over de waanzin van de oorlog :

There is good peace and bad peace, but war is always bad. Man kills in war both the body and the soul for no reason at all. In the end he starts killing for pleasure. There is a lot of war even before the war … any peace is better than any war.

It seems to me that the people are scared of listening to the stories of the war veterans. They are afraid to hear how evil it is. People are so traumatised that they are afraid to listen to the topic.

(uit het tijdschrift TEMIDA, juni 2006, Journal of Victimization, Human Rights and Gender)

In Servië alleen wordt hun aantal op 400 tot 600.000 geschat. De perceptie van de publieke opinie naar deze groep is uitgesproken negatief.

Servië heeft geschiedenis te over maar een korte passage uit een autobiografie van Slobodan Milosevic vat veel samen :

“Het thema was heel eenvoudig : de Serviërs waren slachtoffers. Eeuwenlang slachtoffers van Turkse onderdrukking en nu slachtoffers van Albanese terreur in Kosovo. Slachtoffers van Kroatische genocide tijdens de tweede wereldoorlog en nu slachtoffers van de geniepige Slovenen die de rijkdom van Joegoslavië afroomden (…) ”

(Adam Lebor, 2006, Autobiografie Slobodan M, p.142)

Ik voel de goesting bij mezelf groeien om enkele avonden in Lokeren, Hertsberge en Gent over mijn voorbije en komende week te organiseren met als titel ‘Twee weken per fiets en trein door de Balkan’.

Ik som voor mezelf nog even de redenen op van de fiets en trein-formule :

-      beantwoord helemaal aan de principes van de slow movement

-      weinig milieubelastende manier om zich te verplaatsen (kleine voetafdruk)

-      gegarandeerd contact met lokale bevolking

Ward die in Rusland spoorde versterkt me in mijn overtuiging. Ik stel voor dat ik Moskou en verder opspaar (opspoor ?) tot aan mijn pensioen.

In Hertsberge nodig ik mijn ouders, mijn Chirovrienden, Jan Vandenberghe en iedereen uit die ik ken en me te binnen schiet.

In Lokeren de Letsgroep, de groene vrienden, iedereen die wil komen.

In Gent nodig ik de gedetineerden uit in de kapel.

In het Prinsenhof stel ik de reis voor aan CAW-medewerkers en hulp-en dienstverleners van de gevangenis.

Op de terugtocht van Belgrado naar Timisoara gutst het zweet met bakken uit mijn poriën, buiten moet het nu 35 graden zijn. Ik ga mijn vijftigste treinuur in sinds woensdagavond. En traag gaat het hier nog altijd : gemiddeld rijdt de trein 45 kilometer per uur. Voor Jean-Marie Dedecker zouden deze treinritten therapeutisch zeer heilzaam kunnen zijn . Ik hoop vanavond op de labtob va Sarah aan mijn verslag te kunnen beginnen.

Woensdag 27 mei. Een hele dag projectwerk.

Onze noeste arbeid wordt beloond met een bezoek aan een wijnhuis in Recas. Maar we zijn al volop met onze gedachten bij de finale van de Champion’s League. ’s Avonds worden we in een Ierse pub inderdaad beloond met een prachtig kopbaldoelpunt van Lionel Messi die Manchester doodnijpt. Met Ward en Vassilis Kotsakis van Griekenland hebben we het over de invloed van nieuwe technologie en massamedia op onze samenleving. Vassilis leert ons zijn muziek kennen. Het wordt een hele verrijkende avond, de Guinness is romiger dan ooit.

Donderdag 28 mei 2009 sluiten we de projectweek af in de Timisoara Penitentiary.

In 2006 kreeg deze gevangenis die we ook al in 2007 bezochten een prijs voor de meeste penitentiaire arbeid. Als we de gevangenis verlaten zien we inderdaad een volle bus met gedetineerden toekomen na gedane dagarbeid buiten de gevangenis. Timisoara is dan ook een open en halfopen regime voor 1005 gedetineerden. De capaciteit bedraagt 1104. De laatste maanden vond een ruil plaats met Arad, in het kader van een duidelijke herprofilering van de gevangenis. Het beleid in Roemenië bestaat erin dat gedetineerden naargelang het soort delicten in een bepaald type regime worden ondergebracht.

Ik ontmoet George, Roemeens gedetineerde. Eerder in Gent kreeg ik al een icoon van een lijdende Christus van hem. Tijdens de rondleiding vertelt George me dat 30% van de gedetineerden naar zijn familie terug kan en dat de re-integratie in deze barre economische tijden zeer moeilijk is. Het idee van de gids bevalt hem wel. Christina de maatschappelijk werkster blijft nuchter : twee sociaal werkers voor 1005 gedetineerden is zwaar labeur. Samen met de Griekse Popi stel ik me toch wel veel vragen over de kwaliteit van die detentieplannen.

We volgen een kindershow van 11 kinderen voor een 30tal gedetineerden, aandoenlijk. Allelujah gaat het op het podium. Net voor de perskonferentie krijgt ook Régine een gesculpteerde Maria. Ik ontvang mijn tweede Jezus.

De perskonferentie heeft een redelijke persbelangstelling. Regionale en nationale televisie zijn present. De stafmedewerkster van de hulp-en dienstverlening van Arad is er ook. Net als wat blonde vamps met een microfoon. Ze lijken net uit een MTV-clip te zijn gestapt.

De vragen gaan over analfabetisme, waarom er drie jaar aan deze gids werd gewerkt, hoe de gedetineerde erop reageren ….

Alle informatie komt hier nu samen. Geperst in dit half uurtje.

“An excellent collaboration”, orakelen de Grieken, straks wordt ik nog melig vanbinnen. De specifieke aspecten per land worden belicht.

Bij het afscheid van de Grieken aan de gevangenispoort laten ze nog vallen dat ze me graag zouden uitnodigen voor een conferentie in Tessaloniki om het Open Doors-project toe te lichten. Als jullie geld vinden voor mijn reiskosten wil ik daar graag op ingaan , maar stuur eerst een email naar mijn vrouw. En naar Mieke Van Durme.

Ook Rodica Pana heeft plannen en geen kleine. Ze wil een Leonardo-project indienen met meer landen dat verder bouwt op het thema reintegratie van gedetineerden. Met meer onderzoek, met meer financiële armslag en met de Roemenen als motor. Een voorstel om mee te doen volgt nog. Ze wil die dappere Belgen dolgraag aan boord. Ik zeg dat ik op haar mail wacht.

Vrijdag 28 mei.

Via Jimbolia trein ik naar huis. Fiets voor een laatste maal door de Vojvodina, zo heet dit stukje Servië. Richting Szeged, Hongarije.

Sneltrein naar Boedapest en via Duitsland naar Lokeren.

Ik schaam me voor mijn eerdere uitspraken over Serviërs. Na 60 kilometer fietsen door Vojvodina heb ik al tot twee maal toe een gratis kop koffie achter de kiezen. Aleksander is een Servische oorlogsvluchteling uit Kroatië. Hij spreekt een aardig woordje Engels. Vind me wellicht een rare kwibus .

Ook de bakkersvrouw van een verarmde en vergrijsde buurt in Kikinda leeft helemaal op en we hebben een zalig gesprek. Ze zit zonder tanden maar als ik vertrek wil ze dan toch op de foto met haar vader. Tijdens de oorlog was haar dochter in Novi Sad dat hevig bestookt werd, de tranen biggelen van haar wangen. Ook Kikinda werd omwille van een militaire basis even verderop getroffen. Voor Milosevic heeft ze in alle geval geen goed woord over. Ik denk na over het Bruto Nationaal Verdriet die de oorlog heeft achtergelaten …

Aan alles merk je dat Servië ontzettend arm is. De armoedige boerderijtjes, je kan hier 100 Dinar uit de muur halen wat overeenkomt met 1,1 euro, de fietsen waarop mensen rijden vallen bijna uit elkaar . Ik voel me ongemakkelijk met dat sjieke vlinderstuur van mijn nieuwe fiets.

En toch trakteren ze je koffie. Op één of andere manier behandelen ze je als hun eregast. Eens te meer ben ik overtuigd dat je als fietsreiziger zeer toegankelijk bent.

De tocht door Servië is aangenaam en daar ik geen treinen moet halen voel ik me helemaal relaxed, ondanks de tegenwind en de koude regenvlagen. Op een verhoogde aarden berm volg ik de Tisa. Aan zijn kleine desolate oevers zijn er prachtige vogels te zien. Birdwatchers zouden hier meer dan alleen reigers, ooievaars en zwaluwen ontdekken. Kikkers kwaken er onophoudelijk maar voor de rest ben ik hier moederziel alleen. Soms kruist een oude Serviër me op een gammele fiets, met een tiental langewilgestokken tussen zijn benen bevestigd. Ik nader de Hongaarse grens.

Ik spendeer mijn laatste 1000 Dinar aan spullen die ik eigenlijk niet nodig heb, koffievoorraad voor thuis en Snickers voor Joachim en Anna. De grenspost een Djala bied een onaangename verrassing. Deze is enkel bedoeld voor Hongaren en Serven. De grote en juiste border ligt 32 kilometer verder. Dit is een serieuze streep door mijn rekening. Triest kijken naar het grenspersoneel verandert niets aan de situatie. Terug naar Novi Knezivac en via Kanjiza met ferme tegenwind naar Horgos. Honderden trucks uit Bulgarije, Turkije, Slovakije en Servië staan hier aan te schuiven en een veelvoud aan auto’s. Als fietser kan ik daar prettig tussenlaveren. Szeged in Hongarije ligt nog eens 20 km verder, gelukkig is de wind nu gaan liggen. De teller moet bij het binnenrijden van Szeged op 145 kilometer staan.

De zoektocht naar een slaapplaats en proviand verloopt zeer moeizaam en ik begin het danig op mijn heupen te krijgen. De meeste Hongaren spreken over veel Engels als mijn zoon van vier. Na één uur zoeken nestel ik me compleet afgepeigerd in het Royal Hotel, beetje pissed omdat ik 55 euro moet betalen. Er is spaghetti op wandelafstand en ik slaap vast tot 9 uur ’s morgens.

Szeged is een statige stad met veel grandeur. Na het koude nat van gisteren geeft de zon de stad vandaag extra glans. Betoverende kleurrijke gevels omgeven door groen, de Tisa overal dichtbij. In Lokeren zoek ik in de bibliotheek meer achtergrond op over deze derde grootste stad van Hongarije.

Na 10 minuten praten met de jonge hotelreceptioniste kom ik veel te weten over de Hongaarse samenleving. Zelf vind ze de keuze tussen slechts 2 politieke fracties (links en rechts) te beperkt. De lonen van veel gewone mensen liggen zeer laag en heel veel universitair geschoolden komen niet aan de bak of werken net als deze jonge vrouw “naast” hun diploma. Een verhaal dat Rodica me over Roemenië ook al vertelde.

De Florint vraagt nogal wat rekenwerk : 1 euro = 250 florint. De fiets op de trein kost 695 florint, een kleine kop koffie in het stationsbuffet slechts 130 florint. Om 12u44 vertrekt mijn trein via Keckskemet naar Budapest.

Ik deel de treinreis van Szeged naar Boedapest met Bence Lakatos. Via mijn biografie over Milosevic geraken we aan de praat. Bence studeert geschiedenis en bibliotheekwetenschappen. Op twee uur en een half kun je over veel praten : over politiek, over Szeged en over fietsmogelijkheden in Hongarije, over Dark Side of the Moon ….

Ik beloof enkele foto’s van mijn doortocht door Servië door te mailen.

Er wordt nog weinig gelezen door jongeren in Hongarije, een bibliotheek runnen wordt een kwestie van doordacht management en goed promotiebeleid.

We hebben het over energiebeleid en het bewustzijn bij burgers over de klimaatopwarming , allemaal nog in de kinderschoenen. Tijdens het communisme werd er duchtig op los gestookt, the sky was the limit. Zeker de grote staatswoonblokken zijn hoogst verspillend. Bence is een hele fijne kerel die me dan nog de weg wijst naar Station Boedapest Keleti, wat ‘oost’ betekent.

Zoals sterk te verwachten : zowel Boeda als Pest zijn pareltjes, het is bijna doodzonde als je slechts enkele uren hebt om hier al fietsend te verkennen. Maar alleen al de majestueuze aanblik van de brede Donau (Dunav) , fietsen over de historische bruggen, de schilderachtige barokke gevels is niets anders dan naar adem happen.

Plaats voor de fiets is niet voorzien op de trein naar Stuttgart, na veel onderhandelen in slecht-Duits overnacht mijn Oxford in mijn eigen coupé. Met mijn hele hebben en houden neem ik plaats in voor 4 personen.

Er volgen nog haltes op de terugweg in Keulen, Aken, Luik en Gent.

Mijn hoofd mag nu weer leeglopen, alles staat op papier.

Stefaan Segaert, 31 mei 2009 , 22u19