5 sept 2014 We gaan naar Amerika

Met Dirk Musschoot naar Amerika

Grote overtocht op een uitstekende lezing in Langemark
90 plattelanders zijn samengestroomd in Den Tap, het ontmoetingscentrum van Langemark op een ferme boogscheut van Ieper. Mijn leeftijd, mijn Kosovo-T-shirt, mijn onderlegger voor notities zorgen voor verwarring: Bent u journalist? Bent u de spreker? Kranige en mooie zeventigers en tachtigers , de levenslang leren –generatie spreken me aan.

We zijn gekomen voor een dia-presentatie en een vertelling van Dirk Musschoot met als titel ‘We gaan naar Amerika’, maar voor wie goed kijkt is het duidelijk dat mensen ook voor elkaar komen, om onder de mensen te zijn, om Jef van Bikschote en Madeleine van Poelkappelle … ik geniet van de koffiedrinkende en breeduit nieuwsjes-delende ouderen van dit dorp in de Westhoek.
In sappig West-Vlaams verwelkomen coryfeeën van de lokale SAR (Senioren Advies Raad) de zaal. Dirk kan van start gaan.

Dirk Musschoot is journalist maar ook begenadigd schrijver over thema’s en onderwerpen die dicht op het vel van mensen in Vlaanderen zitten. Over de slag van Moerbrugge, over dementie bij zijn moeder (‘Moeder is weg’), over het uitwijken van verarmde Vlamingen om den brode naar Wallonië of net over de grens in Frankrijk om in de chichorei of de suikerbieten te werken. Via een boek en grondige studie over de Vlamingen op de Titanic is de stap naar de massale migratie vanaf 1850 tot pakweg 1930 via boten van de bekende Red Star Line of minder bekende als de Cunard Line die vanuit Southampton vertrok een kleine stap.
Dirk is ook een begenadigd spreker. ‘Ik probeer ze bij hun nekvel te pakken’, zegt hij me in de pauze als ik naar zijn vraagprijs informeer. ‘Niet met grafieken van migratie naar met levende verhalen’. Voor mij slaagt hij met verve. Als Dirk praat is er ook veel theater, hij molenwiekt met zijn armen, zijn intonatie, zijn humor, hij weet het trieste ook sereen op te roepen.  Theater in de goede zin van het woord. Bewogenheid. Engagement. Doorleefd.
Z’n verhaal en foto’s starten met de honger, de uitzichtloze armoede in Vlaanderen rond 1850. Er zijn tegenvallende oogsten, kinderarbeid is doodnormaal, bij de dorpskruidenier kopen mensen brood via een schuldboekje. Er is een trek naar de fabrieken in de stad maar weldra zitten die vol. Er zijn ook seizoensarbeiders die gaan werken in de hoppe of het vlas.
Veel jonge mannen spitsen hun oren als Amerikaanse en Canadese agenten via affiches en folders ronselen voor boeren en fabrieksarbeiders. Dirk verweeft algemeenheden met nieuwigheden: de eersten reisden in erbarmelijke omstandigheden met vrachtschepen, velen stierven van uitputting door diarree. De lezing zoemt in op de ticketverkopers (doorgaans een bijverdienste voor de cafébaas, de kruidenier, de schoolmeester, lieden die konden lezen), de Antwerpse logementshuizen (de regering bemoeide er zich op den duur mee omdat de schaamteloze exploitatie de spuigaten uit liep) en de ellendige zeeziekte. Extra charmant aan de lezing zijn de projectie van vele postkaarten, Dirk zegt dat zijn hart bloedt als er weer eens een zolder van een dode nonkel is opgekuist en het oud papier achteloos naar het containerpark is gebracht.
Er is ook een politieke kant aan de Grote Overtocht: de Belgische Staat subsidieerde lange tijd de bootreis voor landlopers en criminelen (doorgaans kleine boefjes). Dat was immers goedkoper dan in extra instellingen voor zwervende verarmde Vlamingen te voorzien. Maar in Amerika worden de toelatingsvoorwaarden altijd maar strenger, ook op medisch vlak: wie luizen heeft, schimmel achter de ogen, zwanger is kan niet aan boord. De rederijen bouwen Keuringscentra zoals de plek waar het huidige Red Star Line-museum in Antwerpen is gevestigd.
De spreker heeft pakkende passages uit brieven vol heimwee geselecteerd (‘het doet me pijn dat ik u niet kan zien’) maar ook de verregaande bemoeizucht van ‘ne paster’ spreekt tot de verbeelding. Ik denk dat veel mensen in de zaal dit uit eigen ervaring herkennen. In een dorp als Doomkerke nabij Ruiselede trok de helft van het dorp naar de andere kant van de oceaan. Er waren meteen ook een beenhouwer, bakker en geestelijke daarbij voorzien. Als je Dirk bezig hoort zijn er voortdurend parallellen met vandaag. Met Lampedusa, met mensensmokkel, met Roemeense verzorgsters in Spanje of Polen die onze badkamers bepleisteren. Of we nu hoge muren rond Fort Europa gaan bouwen of niet: migratie is van alle tijden. Tante Marta die straks negentig wordt geef ik het laatste straffe woord met een verhaal dat nog altijd aan mijn ribben plakt :

“De vader van mijn moeders moeder – nu komt een hele bittere geschiedenis- reisde ‘voortdurend’ op en af naar Amerika. Wat hij in Amerika deed blijft een mysterie in de familie. Maar hij heeft er wellicht veel geld verdiend. De ouders van Maria hadden acht kinderen. Zes dochters en twee kinderen waaronder nonkel Didier. Maar de jongste zoon, de broer van Didier werd door zijn vader meegenomen als negenjarige naar Amerika en …. liet hem daar achter.   Ik geloof mijn oren niet. Maar het verhaal is verteld en dus bevestigd door meerdere bronnen. Door nonkel Didier en door tante Lena, Marie was eerder een gesloten type en babbelde daar niet over. Tante Lena heeft het verhaal met horten en snikken verteld. Nonkel Didier die nog maar tien jaar geleden gestorven is, miste zijn broer enorm, de leegte werd nooit ingevuld. Wellicht was Marie zelf teveel overmand door haat en verdriet over die feiten. Het waarom van die verschrikkelijke daad zou te maken hebben met tergen, pesten. Tante Marta is formeel: Marie’s moeder stierf van verdriet op 54-jarige leeftijd. Ze kwam dit nooit te boven.

Stefaan Segaert