23 maart 2016 Naar de Algerijnse grens

Met de plooifiets in Marokko naar de Algerijnse grens !  Woensdag 23 maart – donderdag 7 april ’16

Vrijdag 28 januari 2016

Ik probeer vrijdag te koesteren als een dag om bestofte cassetten van The Who en Boudewijn de Groot op te leggen. Ik las deze ochtend een magnifieke passage uit Annelies Verbeke’s “Dertig dagen” : ‘Hij zet de radio uit om het gevoel te behouden, ademt met een snel hart, heeft zijn rug toch een beetje bezeerd, gromt en lacht om zichzelf, versterkt door de stilte. Danst iedereen wel eens zo, losgeslagen in afzondering? Zelfs de bangsten, zelfs de bittersten?’ (p.266) Ik verbaas me er nog altijd over dat mijn broer zo weinig verrukt is over Annelies’ laatste.

De cassettes zijn onvoorspelbaar, sommige hardnekkig. Abba stokt in het apparaat, Supertramp lukt wel.

Vrijdag. Het is ook een dag waarop ik zeer dankbaar terugblik op onze benefiet voor vzw Vrede in Hertsberge, m’n opgroeidorp. 1 zus, 1 broer, 2 ouders, een nicht van moeders en één van vaders zijde, het publiek van de werkgroep derde en vierde wereld, de gepensioneerde Hertsbergenaren met een buitenverblijf in de Champagnestreek, vrienden van de Chiro, een koppel Dammenaars die recent in Zuid-Marokko waren, de man van Pino (wat waren we smoor op haar) wil er in het krokusverlof van 2017 off road gaan met zijn moto, en dan nog een pak mensen die je gewoonweg niet verwacht op een reisverhaalavond over een Noord-Afrikaans land. We collecteerden zo toch 220 euro voor vzw Vrede.

Wat nazindert is de goed gevulde café na afloop en ook die voortdurende vraag hoelang we die tachtigplussers nog gaan mogen verwelkomen.

Er zijn recent mensen gestorven die ik nooit met de dood heb geassocieerd. Lemmy van Mötorhead bvb. En ook Bowie, kon het eerst echt niet geloven, die sms van Ward. Maar dichterbij ook nonkel Gaston uit St-Jan-Wingene. Hem in een kist? Ik kan moeilijk wennen aan het beeld.

Marokko. Ik ga met de boot vanuit Barcelona. En bij wijze van experiment om van al dat gezaag en gedoe van Franse en Spaanse spoorloketbedienden af te zijn … met mijn plooifiets. U hebt het volste recht om zich dubbel te plooien van het lachen.

Dinsdag 8 maart 2016

Kaaitheater, OLV van Vaakstraat 81, Dansaertwijk Brussel. Op deze Internationale vrouwendag is er een ode aan Fatima Mernissi. Mijn vingers en handen plakken als gek, hele slierten honing zijn tussen mijn pannenkoek afgedropen naar mijn jas, mijn koersbroek. Alle genodigden zijn op hun mooist, het contrast met mijn armtierige plunje is groot. Daarvoor  geraak ik op café met een kerel van Tanger en een oudere man van Tetouan in contact. Ze kijken ongelovig naar mijn fiets als ik toon waarmee ik in 2015 door de Rif reed.

Straks naar Oujda. De fotograaf Kurt De Ruyter liet weten dat daar 0,0% toeristen te vinden zijn. ‘Beetje vreemde plek om naar toe te fietsen’, mailt hij. Uit de rest van zijn bericht haal ik interessante elementen: ‘Ten zuiden van Oujda ligt een gebied waar nogal wat 'sub-saharaanse' vluchtelingen rondhangen/rondzwerven aan de grens met Algerije. Daar ben ik wel enkele keren opgepakt, niets ergs maar men heeft liever niet te veel pottenkijkers daar... Maar misschien hou je wel van zo'n gebied?’

Zelf sta ik als kleine programmator aan de vooravond van de lezing van Sietske de Boer over Abdelkrim el-Khattabi. Ik heb het op het team niet met zoveel woorden vermeld maar het is voor mij een spannend hoogtepunt van ons Marokko-traject. De avond wordt een mix van poëzie, muziek, sloten thee, historische duiding. Er kan niet zo gek veel mislopen, maar de opkomst blijft heikel. Afgaand op de enthousiaste reacties bij de slager, bakker, café, kapper, viswinkel zal er veel volk zijn en het stelt me nog meer gerust dat Suleyman laat weten dat hij ontgoocheld zal zijn als we onder de vijftig blijven. Het is goed dat we die robuuste kop van de Riffijnse verzetsheld breed op de affiches hebben uitgesmeerd.

Iedereen is content, jong en oud’, zegt de beenhouwer in Lokeren, worstendraaiend, lamsribben-kappend. Maar met contentement alleen hebben we geen goed gevulde zaal. Programmeren is riskeren, zeker als je spreekster uit Workum, Friesland, 300 kilometer van Lokeren komt. Zullen de zussen El Biyar het publiek behagen? Hoe zal Bilal zijn gedicht klinken op het podium van de Torenstraat? Moeten we vooral Marokkanen van de eerste, tweede of derde generatie verwachten? De eerste die Abdelkrim historisch het beste kent, de derde generatie die hem zoekt?

Afgelopen vrijdag was er ook nog een pittig debat tussen Bruno De Wever, Rachida Lamrabet en Azis Aynan over de Amazigh; Over het belang van historisch bewustzijn en een leegte als je die niet hebt.

De zaal loopt vol in het Kaaitheater en ik ben nu al aangenaam jaloers. Marokkaanse vrouwen die elkaar allemaal precies goed kennen zijn massaal op post. Het Kaaitheater ligt dan ook midden de ‘quartier marocaine’. Hoe zijn al die deelnemers verbonden met Fatima Mernissi? Feit is dat de sociologe voor hen heeft gestreden, over hun strijd heeft gerapporteerd, zowel in fictie als non-fictie. Op de trein van Antwerpen naar Brussel is het lastig kiezen welke leesfragmenten ik uit het verboden dakterras moet selecteren. Ik maak een nieuwe oefening, nog moeilijker en ga op zoek naar de vier krachtigste zinnen uit het boek :

Een gelukkige vrouw was iemand die gebruik maakte van allerlei rechten, van het recht op bewegingsvrijheid tot het recht om te scheppen, te wedijveren en uit te dagen, en die daarbij wist dat ze bemind werd omdat ze dat deed” (p. 71)

“Je moest een talent ontwikkelen, zei tante Habiba, zodat je iets te bieden had, iets met anderen kon delen en kon schitteren” (p.112)

“Nog nooit is iemand iets gaan begrijpen zonder vragen te stellen” (p. 133)

En tot slot een briljant stukje onvervalste feministische poëzie op pagina 187:

“Als je opstaat tegen de minachting en van een andere wereld droomt, zal de richting van de planeet veranderen”.

De ode was het mooiste eerbetoon aan iemand die me ooit te beurt viel. Een grote crème van de culturele, politieke, filosofische, literaire wereld traden op en brachten vooral teksten uit ‘Het Verboden Dakterras’. Thomas Vanderveken, Adil el Arbi, Bilal el Arbi, Cecile Ledoux, Saskia de Coster, Chantal Pattyn, Rachid Benzine, Sarah Bracke, rappers die ik niet kende, Jasmina el-Messaoudi, Nadia Fadil, Rachida Lamrabet …

Ik kreeg een kussentje op het podium. Zaal zat bomvol. Het meest was ik onder de indruk van het muzikale luik. Ghalia Benali bracht op een weergaloze manier nummers van Oum Kalthoum. Als het mij al zo ontroerde, hoe moet dat niet zijn voor wie met de pan-Arabische muzikale oppergodin opgroeide?

Yamilla Idrisso, politica, bracht de ode op gang toen Mernissi in december 2015 heenging. “Zelfs in je graf verbind je nog mensen” en “zit je nu thee te drinken of chicha te lurken met Oum Kalthoum?” vroeg ze zich af.

Op het nippertje haal ik nog een laatste trein naar Gent. Laatste sms’en van Samah die me vraagt hoeveel mensen er naar de avond in Lokeren gaan komen. Alsof Marokkanen zich inschrijven, grap ik terug.

Woensdag 9 maart 2016

Sietske, de muzikanten, Bilal: ze hebben allemaal gescoord! Er waren een zestigtal mensen aanwezig op de avond rond Abdelkrim el-Khattabi. De lokale slager, Fikry el-Azzouzi, enkele medewerkers van Atlas, Naïma en haar zus, heel wat jongeren van Lokeren met Marokkaanse roots, mannen van de eerste generatie, en ja, ook ‘zuivere’ Vlamingen zoals Gijs van Holland en Steve die in Hannuit woont.

De zussen El Biyar hadden er nog een nicht bijgehaald, ook beeldschoon. Het geheel klonk nog voller, gedurfder, experimenteler naar het einde toe.

Bilal bracht zeer gevoelige woorden in het berbers en in het Nederlands. Jozé vroeg hem voor de gedichtendag in Daknam en de zussen werden overstelpt met vragen voor aperitiefconcerten, tuinfeesten en huiskamerconcerten. Zelfs voor theatersessies !

Ik sluit de nacht af met een donkere trappist in goed gezelschap: met Steve die blijft slapen, met Sietske en haar vriendin Antje. Sietske is helemaal opgeladen. ‘Bij ons is alles zo gepolitiseerd, zo grimmig, de luisterbereidheid van jullie publiek was een openbaring voor me’.

Nu kan ik echt met een gerust gemoed met de plooifiets naar Oujda.

Via http://www.kurtderuyter.be/ vond ik nog deze mooie foto uit de stad aan de Algerijnse grens :

Over die grens met Marokko schreef Sietske heel wat maanden eerder: ‘Er is een levendige smokkel vanuit Algerije naar Marokko (benzine, diesel, sigaretten, melk). Ga dan ook naar Saidia waar je vanaf de weg in Marokko de 100 m verderop gelegen weg in Algerije kunt zien en mensen soms tegen elkaar hoort roepen - familiegesprekken  of juist lelijke dingen tegen vreemden’.

Nog dertien keer slapen !

Woensdag 23 maart

Probleemloos via Lille en Montpellier in Barcelona geraakt. In Hostel Filipe II informeer ik bij de onthaalbediende naar duurzame en participatieve wijken. Ze verwijst me naar de toeristische kernzone waar mensen ‘recycleren’ en het afval niet op straat gooien. Ik ga morgen beter zelf op ontdekking.

Na de schokkende aanslagen in Brussel – ik miste alle berichtgeving en opinie met uitzondering van een snelle blik op de Redactie.be- lees ik de lezing van Willem Schenkel opnieuw die hij op 12 maart in het Zuiderpershuis gaf. Zijn analyse en studiewerk over drone-oorlogvoering was zowel schokkend als razend interessant.

Hij zegt niet echt veel nieuws maar toch blijft wat we eigenlijk weten buiten het frame van de meeste media en de meeste opiniemakers. Op pagina acht stelt hij: “de meeste aanslagen vinden niet in het Westen plaats” en “de recente terroristen zijn ondubbelzinnig: val ons aan, en je krijgt aanslagen”. En een pagina verder: “Europese landen kiezen er voor om Irak en Syrië te bombarderen, wel wetende dat het precies dat is dat aanleiding geeft tot aanslagen”. Dat de terroristen onnoemelijk veel leed hebben toegebracht: natuurlijk.

Maar zijn ze lafaards?

Is het laffer jezelf op te blazen dan op een afstand vliegtuigen of drones te sturen om bommen te werpen op mensen die je nooit in de ogen hebt gekeken?”

Ik denk dus dat we meer dan ooit de aanslagen van jl. ook geopolitiek en in zijn internationale context moeten kaderen, anders zal onze bril te beperkte uitleg geven.

De hele dag op de trein ‘De Langverwachte’ van Benali gelezen waarmee hij in 2003 de Libris Literatuurprijs won. De roman is sterk autobiografisch, de slagerij van Benali’s vader in Rotterdam komt herhaaldelijk in beeld. Ik probeer met de moed der prettige wanhoop passages aan te duiden die ik op 27/04 en 6 mei op de Marokkaanse literatuuravonden met Katrien wil presenteren. Benali weet een ontzettende ironie te gebruiken maar er zitten ook briljante filosofietjes tussen.

Pagina 169: “Als de vrouw niet meer zegt wat ze op haar lever heeft, hoe weten we dan nog waar ze staat, in verhouding tot ons?” – na een mannenconclaaf !

Pagina 48: “Uw godzijdank pacifistische zoon is begiftigd met een talent dat hem in staat stelt zijn woorden als vlindermes te gebruiken” – de schoolmeester tegen de vader

Pagina 176, door en door Marokkaans tafereel, micro-sociologie van Benali : “Ik kan me geen grotere gebeurtenis voorstellen dan het samenkomen van een Marokkaans gezin voor het avondeten. Het is de plek waar de generaties de benen strekken, de wangen vullen, de handen samenknijpen, rond lepels, vorken, stukken brood en een voorliefde om bijna alles ter wereld bij de naam te noemen”.

Donderdag 24 april

Middenin de Filipijnse wijk op een verre boogscheut van de druk bewandelde Ramblas serveert de uitbater me Lomi, een stevige soep waar ik de rest van de dag lijk mee door te komen. Het is fantastisch weer en het fietsen doet me veel deugd. Ik verlaat af en toe de grote Avenudas om in de smalle spleten van de stad me te laten verrassen.

Er loopt sinds gisteren een hele mooie en krachtige tentoonstelling ‘Making Africa’ in een museum voor buitenlandse kunst, het Centre de Cultura Contemporània de Barcelona. Er komen Afrikaanse woordvoerders aan bod die hun visie en analyse over Afrika vandaag en in de toekomst met het publiek delen. Zoals Sheila Kaka Ochugboju die het initiatief “Africa Knows” nam. Via een netwerk van Afrikaanse fotografen wil ze nieuwe interpretaties ingang doen vinden. De tentoonstelling is een mooie brug naar de boottocht naar Noord-Afrika morgenvroeg.

Ook Berhane Ashagrie, een Ethiopische directeur van een Cultuurhuis in Addis Abeba vindt dat je niet kan zeggen ‘dit is Afrika’. Daarvoor is het continent veel te divers en uitgebreid. Zelfde geluid bij de Zuid-Afrikaan Mugendi M’Rithaa: ‘Er zijn veel Afrika’s.”

Hannah Le Roux heeft Afrikaanse steden bestudeerd op vlak van transport, economie, gezondheidszorg. Ze gebruikt het woord ‘superidentiteit’. Ze toont een beeld van een veerkrachtig Afrika dat haar toekomst vandaag vorm geeft en niet bij de pakken blijft zitten. De expositie is erg ruim en zoomt in op mode, strips, fotografie, design, tekenfilm, computerkunst. Het is een interessante plek voor andere “frames”.

De stad doet me veel deugd en ik kan me met de beste wil van de wereld geen beter vervoermiddel dan mijn plooifiets inbeelden.

Het hele jaar door vergapen drommen toeristen zich aan de excentrieke huizen van Gaudi. Ik sta ertussen. De Sagrada Familia moet één van de drukst bezochte kerken ter wereld zijn. Ik plooifiets er enkele rondjes. In Barcelona zitten terrassen altijd vol maar de stad blijft een stad met vele weerhaken. Verarmde brillenverkopers aan de Heilige Kathedraal worden opgepakt, thuislozen zoeken een plek in het park voor de nacht, maar voor mijn Chinese koffiedame is de stad een emancipatiemachine gebleken. Haar terras loopt over. Hier en daar bots ik op wat stadslandbouwprojecten, jonge Barcelonezen klimmen over het schoolhek voor een potje voetbal. Tegen 2050 zal 65 tot 70% van de wereldbevolking in steden leven. Dat geeft enorme logistieke, ecologische en economische uitdagingen. Hoe zullen we ons voeden? Waar zullen we sporten? Hoe gaan we onze zorg organiseren? Hoe gaan we de open ruimte in de stad bewaren en hoe gaan we de niet-stad beschermen?

Ik slinger me van binnen- naar buitenwijk waar zwarte Afrikanen zich in vervallen loodsen bezig houden met het afval dat het kapitalisme heeft uitgespuwd. Ludo Abicht sprak over een klassenstrijd bij de lezing van Habermas, in de stad zijn de extremen nog scherper zichtbaar.

Mijn eerste strandervaring in 2016 waar ik rond vijf uur nog wat Benali lees. Het kind graaft een put, een haveloze man verzamelt grote stukken karton, de meisjes volleyballen beter dan de jongens. Op een stad als Barcelona geraak je nooit uitgekeken, ook al doet de ellende soms pijn aan de ogen.

Vrijdag 25 maart

De karavaan zet zich langzaam in beweging. Het woord exodus (uittocht) is misschien beter gekozen. Wagens en minibussen zijn vol van binnen en nog voller van buiten. Als een ‘voiture cathédrale’ opgestapeld met: ladders, speelgoed, fietsen, autobanden, fietswielen, fietsen zonder wielen … In een kofferbak ontwaar ik grote dozen Pringels voor de Grote Overvaart. Het kuispersoneel zijn Filipijnen die zoals altijd extreem vriendelijk instructies geven aan de nieuwkomers zoals ik. Ontbijt en lunch en kajuit zijn in de 85 euro inbegrepen dat zal geen voorbode zijn van een vet loon, vrees ik.

Strandstoelen worden meteen naar het buitendek gesleept, drie mannen zijn al aan de kif begonnen, hoe de ouders hun klein grut meer dan dertig uur gaan animeren is me een raadsel. Slaapzakken en matten, alle afmetingen, alle kleuren worden in de gangen op de negende verdieping gespreid. De kolos trekt zich warempel om tien uur in beweging.

Bij Benali op pagina 232, een erg mooi stukje over vader Driss die naar zijn zoon kijkt en zich laat ontvallen: ‘Hij zag iemand die een vrouw achterna ging, of een mooie witte jurk. Je kunt ze niet vasthouden, anders vallen ze als rotte appels van de boom’.

Het leven aan boord ligt me wel.

Drie Marokkaanse mannen beslechten een ruzie. Ze raken elkaar aan en toch weer net niet of net niet te veel. Hun vele gebaren, met vingertoppen raken ze elkaars borst aan tot de ander weer ‘ho ho’ lijkt te repliceren en zo is het schouwspel al een half uurtje aan de gang. De kinderen zijn blij met niets, met een vader die even handje klap speelt, er komen geen computerspelletjes in hun handen. De zon is fel, ik plak ‘vast’ van pure gelukzaligheid aan mijn tuinstoel op dek zeven. Dek zeven heet Atlantic.

Bij de ruzie is een man extra bijgekomen. De beschuldigde lijkt niet altijd dezelfde, degene die in de stoel gaat zitten is het meest de klos. Verdorie, een vijfde man, straks gaat de helft van de Rif zich ermee bemoeien. En net als je denkt dat er ééntje een geweldige koek gaat uitdelen op een ander zijn bakkes, is er weer een rustpauze. Voor even. Wat ik eerder als een grap mezelf influisterde wordt nu bewaarheid: de vijf mannen gaan, haast gearmd, naar de bar om koffie te drinken.

Kaarten op dek. Het bijzondere aan de kaarttafel: er zijn vier spelers maar twintig zijn betrokken, zowel dertigers als zestigers. De ouderling met het reaggea-hoedje lijkt te hebben gewonnen. Voor even.

Na een hele dag me in stilzwijgen, turen en observeren te hebben gehuld, heb ik mijn autisme achter me gelaten en start ik enkele gesprekjes met Said uit Italië. Hij is op doorreis naar Rabat. Ook contact met enkele reizigers naar Ivoorkust. Zij zijn nog niet eens genaderd en moeten na Marokko nog Mauritanië en Mali door. Het aantal kilometers valt op geen paar duizend te noemen maar doelman Copa van Lokeren kennen ze heel precies. Voetbal heeft vaak de verdienste om te verbinden. Voor even.

Zaterdag 26 maart

De boot komt vroeger toe dan aangekondigd en ik word gedropt op veertig kilometer van de stad Tanger. Ik start meteen mijn tocht richting Tetouan, naar Martil om precies te zijn. De moeder van Amal zou me er morgen onder dak geven maar ik zal een dag eerder arriveren.

Er is niets veranderd. De taxi’s zijn nog altijd even hoffelijk, de pudding met kaneel nog altijd een feest, het Rifgebergte nog altijd even venijnig om te doorkruisen. Er zijn vele meevallers: de wind is fel maar in de rug, het kwik rond de twintig graden, ideaal fietsweer dus. Het belangrijkste: de plooifiets houdt goed stand, ik fiets vaak op steek acht, de lichtste. ‘Vente forte’ en ‘brouillard fréquent’ worden aangekondigd.

De kleine fiets is een bezienswaardigheid op zich. Ik probeer de gedachten van de voorbijgangers te raden; misschien varieert hun kijk naar mij van komisch, over primitief tot moedig maar marginaal? Nog dertig kilometer.

De weg van puddingplek Findiq naar Mdiq is één lange vakantieboulevard. Hotels troeven tegen elkaar op, de ene nog megalomaner dan de andere. Als dit allemaal met overheidsgeld wordt ondersteund (nutsvoorzieningen, sjieke boulevards …), kun je niet anders dan fronsen. Voor ik me daaraan vergaap laveer ik in Findiq langs miljoenen pyjama’s, overhemden, t-shirts, kilometers stof, duizenden paar schoenen.

Ik schaf me op de kilometerlange markt twee flesjes geperst sinaasappelsap aan. Een man biedt me kif aan, in Mdiq is er al een tweede. De vrouw op de brommer zonder helm, dromedarissen geven de route een surrealistisch tintje. Moeten zij straks in de zomer de honderdduizenden toeristen mee entertainen? Waar Hassan II de Rif compleet negeerde doet deze koning het tegenovergestelde. Hij bouwt het vol of laat het volbouwen. En net voor ik Mdiq binnen fiets is er een zoveelste streng bewaakt koninklijk domein, pervers groot, een burcht, oninneembaar. Ik vraag me af of dit de ontwikkeling is waar de gewone Marokkaan op lange termijn het meest voordeel uit zal halen?

Ik vrees dat de balans vooral voor de projectontwikkelaars goed zal doorslaan en duurzaam – je kan ruimte maar één keer verkwanselen  - lijkt het me al helemaal niet.

Maar wat zit ik hier weer te politiseren? Volgens de nieuwste hasjverkoper is het nog altijd dertig kilometer en zal het niet altijd zo plat blijven. Ik ben een gewaarschuwd man.

Het blijkt prettig kilometers vragen voor wie met kif ronselt. De berg is slechts een scheet hoog en Martil plakt werkelijk aan Mdiq. Na wat heen en weer gevraag is het huis van Habiba snel gevonden. Ze verwelkomt me in het Hollands, het ijs is meteen gebroken. Enkel haar dochter, de jongste van een groot gezin is thuis. Er zijn ook nog drie zonen die in Nederland wonen.

Habiba verwent me. Ze bakt friet en gaat prat op haar filosofie ‘waar er plaats is voor twee is er plaats voor drie’. Ze doet zelfs mijn was. Die bestaat voorlopig enkel uit een t-shirt, een paar kousen, een slip. Ik stel haar allerlei vragen, ook haar dochter heeft antwoorden uit de eerste hand. De Koning is een door en door goed mens, enkel zijn entourage is een corrupte bende. En hij heeft twee echtgenotes, waarom kom ik dat pas nu te weten? In de zomer is het hier een overrompeling, de temperatuur is er draaglijker dan in Fes of Rabat. Mensen slapen op karton buiten, alle appartementen die ik passeerde zitten dan pokkevol. De stad Martil, vroeger een stadje, barst uit zijn voegen. Ze kwakt nog wat extra friet op mijn bord. Haar hennarode handen wijzen me de weg naar de badkamer en ze oriënteert me in de stad. De strandboulevard loopt vol verliefde paartjes, zedig maar erg teder. Vrouwen van alle leeftijden flaneren, de jongsten trots met hun verse kroost. Parasols kleuren het strand, cafés zitten stampvol, nootjesverkopers doen goede zaken. Het leven speelt zich buiten af, ik zie de enige andere fietser van de Grote Boot nog zoeken naar een slaapplaats.

Dat de meiden van Amzighar steun nodig hebben bij hun schoolgaan– het project dat haar dochter Amal uit de grond stampte –heeft met de armoede van de afgelegen bergdorpen te maken. Daarover hoop ik morgen op mijn fietstocht naar El Jebha meer over te begrijpen. Het wordt wellicht de Koninginne-etappe. 131 kilometer volgens Amal. Habiba is er niet helemaal gerust in: aan niemand de weg vragen, altijd maar doorrijden hé? Ze heeft het niet over de brokstukken op de weg maar over mensen met slechte bedoelingen. Tegelijk verhult ze haar heimwee niet naar het zuivere bergdorp waar ze vandaan komt. Het was haar vader die er uit eigen zak een school bouwde. Amal in de voetsporen van haar grootvader. Over Amsterdam heeft ze geen goed woord: goor, onvriendelijk, niet meer wat het ooit is geweest. Ze woonde er tot haar elfde. Ik ga nog op zoek naar een laatste muntthee en een dessertje om het af te leren.

Zondag 27 maart

Het ontbijtgesprek beklijft. Tante Habiba vertelt. Over de armoede van de plattelanders. Over noodzakelijke maar niet uitgevoerde medische ingrepen. Over de droogte en het dure fruit. Waar zijn vandaan komt konden olijfbomen niet aarden maar kweekten ze granaatappels, druiven, appels, peren, zelfs cactussen waar je gelei kan van maken. ‘Mensen moeten elkaar helpen, de terroristen bekladden alle moslims’, zegt ze. Als het leven al overleven is, en de broodnodige regen blijft uit is de wanhoop nabij. Ik kan weinig doen. Dit verhaal opschrijven en de opbrengst van de volgende benefiet in Hertsberge aan Amal schenken. Aan Suleyman en Karima vragen of we ook geen benefiet in Lokeren kunnen doen.

Na vijftien kilometer plat fietsen kom ik de blitse Anan tegen. Spreekt vloeiend Engels. Hij neemt een opname met zijn camera, ik deel mijn kaartje uit. “You will make it, you will make it to El Jebha”. Hij weet het niet genoeg te benadrukken. Hij bevestigt dat het landschap prachtig zal zijn. Wat verder neem ik ontbijt, het zwaar werk doemt al op in de verte. Volgende stop wordt Oued-lalou. Het kwik is al aardig aan het klimmen.

Ik volg de raad op van Anan. Neem een pauze in Oued-lalou. Het gaat op en af en bijwijlen heel straf omhoog. De Tsjechen met hun moto van mijn kajuit deze nacht zoeven voorbij op hun zware BMW-moto’s. Bij mij gaat het metertje per metertje, soms meer dan tergend traag. Soms vergeet ik de filosofie van de heuvel toe te passen. Alleen al denken aan die nogal zware Ilja Leonard Pfeiffer die onvoorbereid op een oude Batavus naar Genua fietst, zijn Russische vriendin Gelja die hem soms half stervend, uitgeteld in een graskant of een stuk macadam in het zwartwit fotografeert, doet me glimlachen. Maar op veel andere momenten is het ellendig zwaar en hoop ik dat mijn 74 kilo én mijn plooifiets het gaan houden. In die volgorde.

Splinternieuwe Mercedessen maar ook aftandse Peugeotjes rijden rondjes in de omgeving van het strand. Brommertjes met ongehelmden snorren de zondag vol. Veel bouwvakkers doen gewoon verder, ook hier wil men zoveel mogelijk strandtoeristen kunnen ontvangen.

Ik zet mijn weg verder richting El Jebha, ben benieuwd waar ik zal stranden vandaag.

Ik hou halt in Bou-Ahmed. Een man zonder voeten sleept zich over de vloer naar zijn rolwagen. Traag of snel is ontzettend relatief. Eén kilometer is voor hem een halve dagtaak. Hoe bereddert hij zich in dit woest gebergte?

Volgens Anan –het is halfvier- zou ik al in El Jebha moeten zijn, maar ik denk dat hij me verward met iemand die hij op tv heeft gezien. Nog vijftig kilometer en als ik een bus zie zal de verleiding groot zijn de fiets dicht te klappen en zo mijn weg verder te zetten. Het stemmetje van Anan doet echter ook zijn werk: “You will make it, you will make it”.

Armen verbrand, billen vervormd, al even geplooid als mijn fiets arriveer ik in Hotel Mamoun. Als Fouad de eigenaar hoort dat ik hier via Amal ben belandt gaan nog veel meer deuren en vensters open dan mijn eigen kamerdeur. Fouad vertelt me dat de verlichting, de bestrating nog maar pas zijn aangelegd. Dit is één van de armste delen van de Rif, het niet schoolgaan van de meisjes is een complex probleem. Het heeft met armoede, mentaliteit, traditie, isolement en transport te maken. De regio was onder Hassan II compleet verstoken van beleidsaandacht, maar wat er nu gaande is kan je enkel een revolutie voor de regio noemen. Fouad neemt me mee naar het terras waar ik een briljant panorama op de haven krijg.

Ik vergat nog te vertellen dat ik in Targha de lekkerste sardines ooit heb gegeten, eigenlijk heb ik ze gewoon naar binnen geschrokt, het moet geen zicht zijn geweest. De kikkererwtensaus, het brood, de rauwkostsalade … twee mannen wisten in een mum van tijd een fantastisch maal te bereiden.

Mijn plannen voor morgen zijn nog weinig concreet. Al wat opschuiven richting Al Hoceima of een dag extra genieten van dit kustbergstadje. Op de favoriete stoel van Fouad gaan zitten en Naima el Bezaz lezen?

Het binnenrijden van El Jebha was genieten pur sang. Niet alleen omdat het enkel nog plat was en het hotel nabij maar ook door het in dichte drommen flaneren van koppeltjes, moeders en vaders, kinderen en jongeren en zo vredig de zondagavond hier afsluiten.

Fouad wil me morgen enkele bijzondere baaien tonen, ik wil graag een rondleiding in het internaat Dar Taliba El Jebha waar Amal zich voor engageert, en ik heb trouwens een dag voor op mijn schema, een prettige luxe.

Maandag 28 maart

Ik blijf hangen.  

El Jebha is een bijzondere plek. Vooreerst ben ik binnengeraakt in het internaat van de meisjes. Er verzamelen zich zo’n dertigtal meiden rond me, ik lijk het curiosum van de maand. Ze vragen naar mijn naam en stellen zich één voor één voor. Hun school begint pas om twee uur. De directeur Mustapha Ben Yacoub is nog niet gearriveerd. Enkele meisjes kunnen zich vlot uitdrukken in het Frans. Ik stel voor een groepsfoto voor Amal te nemen en ze gaan direct akkoord. Het zijn meisjes die helemaal niet bang zijn ook al is zo’n mannelijke bezoeker tussen deze vier muren hoogst ongewoon.

Ik wandel even naar de haven en bots er op Khalid uit Berkane. Hij doet de bewaking en moet in de gaten houden of er geen kif naar Almeria of Malaga wordt verscheept. Khalid is een openhartige kerel: binnen de kortste keren toont hij zijn mogelijke geliefde op zijn Ipad en praten we over Daesh en de aanslagen in Brussel.

In Marokko is het vrij rustig zegt hij omdat verdachte individuen nauwlettend in de gaten worden gehouden. Zijn broer is momenteel zonder papieren in Frankrijk na een vlucht vanuit Casablanca naar Turkije en via de Balkan en Italië is hij op zoek naar een vrouw om zich daar te kunnen vestigen.

De vissershaven is een erg stemmige en kleurrijke plek. Tientallen mannen zijn met naald en draad in de weer om hun netten te herstellen. Eén kilo sardines kost tien dirham zegt Khalid en kan doorverkocht worden aan twintig dirham in Nador of Al Hoceima. Aan de andere kant van de kade zijn kraanmannen bezig die kant ook klaar te maken als aanlegsteiger. The times they are a-changin’ voor El Jebha …

Na de vierde keer bellen krijg ik contact met de directeur van het internaat. Het blijkt eigenlijk de voorzitter van de Stichting te zijn die het internaat doet draaien. De meisjes begluren me vanuit hun binnenkoertje. Ik ben benieuwd naar de rondleiding en de extra uitleg. In het dorp worden intussen op stootkarren met hele dikke banden sardines aangeboden. Het weer is perfect, licht bewolkt.

Mustapha is een ranke slanke goed geklede man. Hij is uitermate kritisch voor de ontwikkeling van de regio: 10% ten goede, 90% verderfelijk. Grote vissersmaatschappijen vernietigen koraalriffen en vissen de zee leeg en de kwetsbare kleine vissers kunnen niet concurreren tegen hen. Het puin van de weg van Tetouan naar El Jebha heeft de rivieren geblokkeerd. Crimineel noemt hij dat.

De meisjes komen uit extreem arme gezinnen uit de weide omgeving. Hun thuissituatie is ronduit erbarmelijk. Vanaf hun achtste draaien ze al mee in het huishouden, bewerken het land, moeten op de dieren passen of het eten klaarmaken. Met de voorbije droge zomer is de crisis totaal toegeslagen. Er is nauwelijks oogst, zonder de noodzakelijke regen balanceren gezinnen op de rand van de permanente honger. Kortom: alle hoeraberichten ten spijt voltrekt er hier volgens Mustapha een ecologische en sociaal-economische ramp. De zee wordt leeggeroofd en de winsten varen mee naar het buitenland.

Alle steun voor dit internaat is welkom, er zijn voortdurende zorgen om deze plek te kunnen doen draaien. De families kunnen hoogstens 250 dhiram per maand bijdragen en zij die halve wees zijn- vader of moeder gestorven- verblijven hier gratis.

En de donateurs moeten dan nog kritisch benaderd worden: de steun van een Evangelische kerk uit Amerika werd stopgezet, hun agenda was sterk religieus en voor Mustapha staan de meisjes centraal: hun ontwikkeling, hun educatie, hun zelfbewustzijn. Naar de middelbare school gaan is de enige manier om hen uit de bittere armoede te halen. Ook de directrice moet met steun van de stichting worden betaald, het klinkt vreemd dat er niet meer overheidssteun voorzien wordt voor dergelijk emancipatorisch project.

Mustapha informeert voor de nachtbus naar Nador vanuit El Jebha. Om twee uur in de nacht vertrekt er ééntje in die richting, ik besluit om op die manier verder oostwaarts te geraken.

Het project van Mustapha kan op allerlei manieren worden gesteund: natuurlijk geldelijk maar ook voor computers, kledij, meubels. De meisjes verblijven hier meestal enkele maanden na elkaar, enkel in de vakantie keren ze naar huis. Ze komen meestal erg vermagerd na hun thuisverblijf in El Jebha aan. ‘De groepsgeest is erg belangrijk’, voegt hij eraan toe. ‘De meisjes moeten elkaar helpen bij problemen, dat is goud waard’. Veel inzichten rijker ga ik langs het strand wandelen.

Ik word nu van overal aangeklampt. Door de cafébaas, de toevallige passant, nog iemand van de Gendarmerie. In de schaduw van enkele grote naaldbomen start in ik ‘Spotvogel’ van Bouazza. Over die ‘zammelende zangers van de vuuraanbiddende krekels in de zengende zon’ schrijft deze buitengewone pennenvirtuoos dat ‘geen enkel tijdstip van de dag hier zonder zijn minstreel is’ op pagina zes.

Ik heb nog oud spelbrood uit Barcelona in mijn rugzak maar aan de heerlijke sardines in weelderige tagines gegaard kan ik onmogelijk weerstaan. De jongens aan de barbecue bij het strand lopen zich de teenslippers vanonder hun bruine lijf om me te bedienen als was ik de nieuwe kroonprins. De buren zijn garagisten, schrijnwerkers, kleine kruidenierszaken.

Spotvogel is een prachtig autobiografisch boek, Hafid op zijn kwetsbaarst. Naast verdriet, verdwaaldheid in zijn leven ook prachtige passages over de Marokkaanse keuken: ‘Ze kwam naar buiten met een stoofschotel van kip met aardappelen en olijven, bedekt met peterselie en koriander’ (p.40) Mijn tagine, net geledigd, was ook weer vol sublieme smaken, deze stoofpotten alleen zijn de reis al meer dan waard.

Welke taal ik hier spreek? Geen, toch niet in de klassieke betekenis. Gebaren zijn hier veel doeltreffender, er gebeurt veel met de duim, altijd omhoog gerezen. Een deksel van een kapotte frigo wordt opgetild, sardines die blinken, je hoeft maar de grootte van de tagineschotel aan te duiden. Gesproken taal was nog nooit zo onbelangrijk.

De jonge kerel van de Forces Auxiliaires roept me toe terwijl ik met enkele schrijnwerkers aan de praat ben over Bousouffa en de overwinning van Marokko tegen Kaap Verdië. De shift van de politieman zit erop en hij nodigt me uit voor één van zijn langste terrassen ooit. In gebroken Frans, het zijne iets meer gebroken dan het mijne vertelt hij over de strijd tegen de Zodiacs, snelle krachtige boten die de hasj naar Spanje moeten smokkelen. Trouwen zit er voorlopig niet in want in deze fase van zijn politieloopbaan wordt hij nog veel versmeten, om de twee jaar, niet interessant voor de toekomstige vrouw van zijn leven. Zo te horen zal die aan veel eigenschappen moeten voldoen. Hij trakteert me op gebak, thee, Marokkaanse koffie en slaat mijn aanbod om terug te trakteren af.

Na twee uur terras sluit ik af, we lijken wat uitgebabbeld en ik koester wat lees-en schrijftijd op mijn eentje. Geen betere plek daarvoor dan de haven waar de vissers zich klaarmaken voor de nachtelijke visvangst. Oudere en jongere mannen en vaak nog jongens, een bont allegaartje. Khalid pikt me –onafgesproken- terug op aan de kade. Hij loopt ook maar wat te lummelen en is blijkbaar op mijn aanwezigheid gesteld. Ondanks mijn nogal autistische reflex op reis ontspint er zich warempel iets wat je een prille vriendschap kan noemen en o ironie van de 21°ste eeuw, ik geef hem de naam van Sofie waarmee hij kan Facebooken. We blijven uitwisselen over de vissers, de vissen, de visvangst maar voor al te diepgaande politieke of filosofische gedachten ben ik met de verkeerde kerel op stap. We klimmen naar het hoogste punt van de rots waar nog enkele restanten van Spaanse versterkte militaire fortificaties staan. Er zijn collega’s van de marine en van zijn eigen equipe waar we onderweg mee netwerken. Foto’s in de sfeer van 2Pac. Of hoe schrijf je dat?

We bevinden ons op slechts twintig kilometer van de Spaanse kust. Khalid kan Malaga probleemloos zien liggen.

Ik stel de gebruikelijke domme vragen:

  1. Hoe onderscheid je een vissersboot van een boot met hasj?
  2. Vind je niet dat er een enorm oneerlijke concurrentie bestaat tussen een halfgrote en grote vissersboot?

Eindelijk eens geen lawaaiierig voetbal op plasma in de kantine van het hotel maar de onvervalste zwartwitbeelden van Oum Kalthoum, de Egyptische pan-Arabische diva die zich klassiek door een Groot Orkest laat omringen. Geen betere plek om in het ‘munttheegouden en rode Marokko’ (p.83) Bouazza te lezen en haar op de achtergrond vocaal te laten toveren.

Bij elke bestelling verwijst hij-die-geen-Frans-kent met grote glimlach door naar een collega die er wel wat mee bakt. Zouden ze dan nooit eens oordelen: waarom kan die kerel zich na twee reizen in Marokko nog altijd niet in het Arabisch uitdrukken? De tv-zender blijft geparkeerd op een soort van Marokkaanse Arte. Maandagavond is voor de canvassers.

Ik moet weer aan die timmerlui denken. Ik complimenteer hen met hun fenomenale voetbalkennis. Hun repliek verrast me nog steeds: naast ons werk hebben we niets anders om ons mee bezig te houden. Wat is hun vergelijkingspunt?

Ik hoop dat ze goed de kost verdienen maar leven ze dan niet in een ongewoon rijk dorp? Rijk aan ontmoetingen en interactie? Ik ga geen vergelijkingen doen teneinde van exotisme te worden geschoffeerd maar het equivalent van El Jebha heb ik in Vlaanderen nog niet eerder kunnen observeren.

Dinsdag 29 maart

De nachtbus heeft me uitgespuwd in Nador om 7u30. Een helse rit, mijn maag ligt helemaal overhoop. Nador is druk, na de postzegels, de bananen, de ochtendkoffie verlaat ik de stoffige stad. De eerste dertig kilometer richting Saidia vallen tegen. Het verkeer sterft pas daarna uit en ook de dieseldampen worden draaglijker. Het klaart helemaal op als het landschap tussen Kariat-Arkmane en Ras-el-Hat tot bloeimooi transformeert. De aarde is nu eens roze, dan bruin, dan dieprood. Nauwelijks bewoning, wat taaie herders. De tocht is zwaar, het kwik klimt tot vijfendertig graden, maar misschien heb ik een superdag, of doet het malle witte petje voor 15 dirham zijn werk? Het gaat uitstekend, een beresterke dag.

En bijzonder aangenaam: Ras-el-hat is niet de bekakte plek die ik dacht aan te treffen maar zo’n helemaal overzichtelijke vriendelijke Marokkaanse plek zonder discobars. Waarom heb ik die laatste de hele tijd zitten fantaseren?

Recht tegenover het ‘Complexe socio-éducatif’ (what’s in a name Vormingplusser?) is er een fantastisch ijssalon. Ik bestel alles wat ik in de frigo aantref: een witte sorbet, een halve liter uitgeperst sinaasappelsap, een heerlijk stukje fijngebak.

Amper twee uur geslapen en ik voel me sportief helemaal top, wreed content ook deze weg te hebben genomen en niet teveel de rechttoe-rechtaan naar Oujda. Vanuit Saidia –nog twintig kilometer- het meest noord-oostelijke punt van Marokko kun je zakken naar Ahfir en Oujda langs de strengbewaakte grens met Algerije. Daarom ben ik blij niet voor de makkelijke route via Zaïo te hebben gereden. Gegokt en gewonnen deze keer!

Daar ik een nachtje heb uitgespaard wil ik deze avond graag een hotelplek met een doucheknop, die normaal werkt en die regelbaar is voor koud en warm. In Saidia zijn er wellicht meerdere keuzes.

In Nador plofte de armoede bij het verlaten van de bus me in het gezicht. Een psychiatrisch patiënt die met een lege plastic fles aan het goochelen was, vuilnisbakken die koortsachtig werden doorzocht en aan de moskee vouwt een dakloze zijn karton op. Als ik in dit heerlijke ijssalon nog van mijn stoel geraak kan ik nog Marokko-Kaap Verdië meepikken en de stukken over Algerije in de ‘Geschiedenis van de Arabische volkeren’ van Albert Hourani achteroverslaan. En sardines eten.

De laatste twintig kilometer naar Saidia zijn veel minder sprookjesachtig. Ik neem mijn intrek in Hotel Paco, voor 15 euro ben ik gelapt. Paco geeft een hele jeremiade tegen de Algerijnen, er wordt daar voortdurend gepikt en elkaar de kop ingeslagen. Ik was mijn vuile kleren en hang ze te drogen aan het terrasbalkonnetje. Eén uur later is alles alweer droog. Het leven is hier simpel. De erwtentagine –gewoon de straat oversteken, ben te hongerig om al te kieskeurig te gaan kiezen- en de salade is weer van een uitmuntende kwaliteit. Waar hebben al die jonge kerels toch zo goed leren gerechten klaarmaken? Toch niet door naar Casa Benali te kijken, een kookprogramma met Abdelkader? En zo verblindend snel ook altijd.

Ik ga op mijn avondwandeling die grens met Algerije bekijken en aftasten hoe ver ik met foto’s kan gaan. Aan het strand geeft de barrière een meer dan klungelige indruk, meer stadinwaarts is het allemaal wat degelijker. Maar in de dichte buurt wordt ook thee gedronken en nootjes verkocht.

Ik had precies wat spectaculairdere scenes verwacht, minstens iets met paracommando’s die af en toe wat geweersalvo’s afvuren om mij op afstand te houden. Niet dus!

Maar Saidia bevalt me wel. Sofie is intussen met de twee kleintjes het Jamal-el-fna plein in Marakech aan het verkennen. En Sietske de Boer wist al dat ik het goed kon stellen met tante Habiba, Ward kocht een arafatsjaal in het woestijnlandschap van Jordanië.

Met tien jonge Marokkanen kijk ik naar de nationale Marokkaanse elf die partij geven in Casablanca. Nabil Dirar (ex-Club Brugge) en Bousouffa in een glansrol blikken de Kaapverdianen vakkundig in met 2-0. De sfeer is uitgelaten in Casablanca.

Woensdag 30 maart

Als één massief blok geslapen. Heerlijk ontbijt met zicht en oor op zee: olijven, honing, pistolet, vers geperst sinaasappelsap, koffiekoek in vier kwartjes, koffie, slechts dertig dirham. Je wordt soms verlegen van de prijzen.

Over het conflict met Algerije schrijft Albert Hourani (p.446): “Marokko bleef verwikkeld in een langdurige strijd met Polisario, dat steun kreeg van Algerije, een land dat eveneens aan het omstreden gebied grensde en geen uitbreiding van de macht van Marokko wenste. Er begon een conflict dat zich in verschillende vormen jarenlang zou voortslepen en dat de betrekkingen tussen Marokko en Algerije, maar ook die binnen de organisaties waarvan zij beide deel uitmaakten, de Arabische Liga, en de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid, ernstig verstoorden.

De weg naar Saidia naar Berkane is helemaal mijn ding. Boerenland, olijfteelt, oude gegroefde mannen die karaffen verkopen. Sinaasappelteelt en de bijbehorende verwerkingsbedrijven met de beeltenis van de koning. Mijn pauzeplek halfweg is een pareltje van rust en chaos. Mannen keuvelen op roze stoelen onder een handvol platanen. Als de jonge cafébaas met me meewandelt naar de bakkerij op zoek naar wat brood kijk ik mijn ogen wijd uit. ‘Le vrai Maroc’, zeg ik tegen Said.

Kippen scharrelen op onverhard publiek domein, aan een garage wordt gekeuveld tussen massa’s rondslingerend materiaal, koeriers op brommers wachten op transport, vliegen cirkelen aan het plakkerige terras. Een discussie over de match van gisteren. Ik bevind me in Laatama. Dat is de naam van deze wonderlijke plek op aarde. ‘Choukran choukran’ roept de vrouw met mijn fooi. Buiten haar is er geen vrouw te bespeuren.

Ik ben benieuwd om Najib-el-Bachiri te ontmoeten. Sietske omschreef hem in haar email als sociaal en ecologisch activist. We zullen elkaar in Berkane ontmoeten.

De rest van de weg is kaarsrecht. Boeren gaan tussen de aardappelvelden met korte kappers de rode aarde te lijf. Met lijf en leden. Wat een taai volk, het is alweer dertig graden. Bussen zitten stampvol en aan de schoolpoort staan handelaars, vrouwen, mannen met brommers die de kleintjes oppikken.

Berkane binnenrijden. Aardbeien, een CD-verkoper, lange rijen staan aan te schuiven voor benzine, een onvoorstelbare mix van mensen, een man in rolwagen met allemaal verschillende wielen aan zijn voertuig, een veiligheidsverantwoordelijke heet me welkom. Bussen legen zich en vullen zich even snel. Een schoenpoetser, het is werkelijk onbeschrijflijk. De stad heeft een overzichtelijke schaal, en barst van de vitaliteit. Vrouwen gaan markten, ook bij hen de grootst mogelijke verschillen. Het is tijd om Najib te bellen.

Het gesprek dat plaatsvind in de schaduw van een Franse kerk is razend interessant. Najib spreekt met veel kennis van zaken. Om de migratie van het platteland naar de stad en van de overvolle steden naar Europa tegen te houden is een heel andere ontwikkeling nodig dan vandaag. De overheid die grote stukken land van de Franse kolonisatoren konfiskeerde na de onafhankelijkheid in 1956 zet zeer sterk in op de plantages van sinaasappels omwille van de buitenlandse deviezen. Sinaasappelen vragen echter extreem veel water terwijl er nu al een groot probleem is met watertoevoer, deze regio bevindt zich in de rode zone. Najib heeft projecten rond educatie, coöperatieve landbouw, kleinschalig en duurzaam toerisme opgezet in de regio van Tafoughalt. Daar wonen verarmde Amazigh en is duurzame plattelandsontwikkeling van levensbelang.

Er is een grote kloof tussen de beleidsvoornemens van de Marokkaanse regering op papier en de realiteit. De stichting van Najib heeft zich jarenlang verzet tegen de megalomane toeristische plannen van Saidia-massa-toerisme waar vooral projectontwikkelaars beter van worden en weinig geld blijft hangen in de regio maar in Europa op rekeningen wordt overgeschreven. Met projecten als de gîte in Tafoughalt wil de stichting tonen dat het anders kan en moet.  Bijna alle projecten worden gerund met Europese projectmiddelen en verder is het een voortdurend lobbyen bij diverse ministeries en lokalere besturen om te ijveren voor een duurzame ontwikkeling voor deze regio.

Najib combineert het projectwerk met politieke strijd want dat lijkt me in essentie waar het hier om gaat. Hij geeft me nog wat detailkaarten mee van de streek, wijdt nog wat uit over de prehistorische grotten in de buurt van Zegzel waar de universiteit van Oxford momenteel naar aanleiding van zeer oude vondsten onderzoek doet. In zijn stichting zijn veel vrijwilligers betrokken, de Europese middelen betalen de eindverantwoordelijken van de deelprojecten.

Eén daarvan is het opzetten van pre-scolair onderwijs in de bergen zodat kinderen uit afgelegen streken niet met een enorme achterstand beginnen ten opzichte van hun stadsgenoten. Najib geeft me een heel ander beeld van de regio dan ik tot nu toe had.

Zijn strijd wil ik graag in een Oikosartikel gieten. Thema’s als stadsvlucht, migratie, educatie, landbouw, coöperatieve economie komen hier allemaal mooi samen.

Het is tijd om op ontdekking te gaan, maar toch nog even deze pijnlijke anekdote. Recent ging de prijs van de ajuin in Marokko zwaar de hoogte in. Marokko had er zelf geëxporteerd naar de sub-Sahara en moest er nadien uit Spanje terug aan dure prijzen importeren.

De tocht naar Zeghzel en Tafoughalt is weeral een voltreffer. Het eerste deel volgt de valleibedding en is nagenoeg plat. Bij het klimmen –halfweg de rit- verstomd ook alle menselijke beschaving buiten het asfalt van de weg. Er passeert nog wel eens een brommertje met twee vrolijke ongehelmde jongens maar voor de rest: een ruisende wind, een zeer genietbare stilte en een kletsnat T-shirt door de hoogteverschillen. Nog zes kilometer naar Tafoughalt zegt een lokale jongen. Ik voeder een ezel met koekenbrood uit Lokeren die al veel te lang meezeul.

Drie mannen aan de moskee geven aan dat het nog vijf kilometer is tot aan de gîte. Ik moet af en toe van mijn stalen pony stappen, de hellingsgraad is veel te fel. Maar de nadrukkelijkheid waarmee Sietske geschreven had over Tafoughalt, ‘dat zou je eigenlijk niet mogen missen’, is helemaal terecht. Ik hoor enkel een koekoek maar in dit hoogecologisch waardevol gebied huizen ook steenbokken, everzwijnen, allerlei slangen, roofvogels … Het stinkdier, dat ben ik.

In het dorp van Tafoughalt verwijzen ze me eerst door naar een sjiek hotel met zwembad maar de uitleg voldoet niet helemaal aan wat de Gîte van Tagma zou moeten zijn.

De berberse herberg ligt nog eens vijf kilometer verscholen van het al redelijk weggestoken dorp. Eerst passeer ik door Awnout waar enkele Amazigh-vrouwen me de weg tonen naar een steenslagwegel en na warempel een route die helemaal naar Niets lijkt te leiden ontwaar ik in de verte een kerel die zich als Miki zal voorstellen. Hij toont me alle kamers die prachtig zijn beschilderd met berberse motieven door kinderen van de lokale gemeenschap. Sietske en Najib hebben me naar het aards paradijs gebracht. De douche wordt met hout gestookt en al het eten kweekt men hier zelf. Ik ben de enige gast, buiten wat krekels en die koekoeken kun je een spel horen vallen. Mijn fototoestel heeft het helaas begeven, maar dat zal de bijzondere ervaring niet in de weg staan.

Ik herinner me nu weer dat Najib er prat op ging in een beleidskader rond een groen Marokko voor de toekomst zijn visie van de stichting kwijt te kunnen: lokaal, kleinschalig, gericht op zelfredzaamheid, sociaal. Het is een sterk voorbeeld van gepolitiseerde transitie: in de praktijk bezig zijn en tegelijk de grote beleidskaders niet ongemoeid laten. Rob Hopkins van de Maghreb!  

Donderdag 31 maart

Fantastisch ontbijt. Magnifieke confituur. Koffie doet deugd.

Het is zo voorzien zonder dat ik zelf de vraag heb gesteld dat Ahmed me de hele dag op wandel zal meenemen. In de voormiddag toont hij me de bewoonde en de verlaten nederzettingen van Taghma. We brengen een groet aan oude heiligen in diverse maraboets, een soort praalgraven van geleerde voorouders die met deze lokaties zijn verbonden. Het weer is licht bewolkt en dus ideaal voor de bergtocht. Ahmed kent alle bomen, alle vruchten, alle gewoonten, alle antwoorden op al mijn vragen. We hebben lange uitweidingen over de Franse koloniale tijd, over de hardheid van dit leven, zelfs over Darwin, de evolutieleer is onverteerbaar voor Ahmed, we hoeven het niet over alles eens te zijn. Zijn bronnen zijn andere dan de mijne.

Langs hobbelig en klimmend en steil dalend parcours kent hij elke steen, boom, een gids die werkelijk vergroeid is met de streek. Het is een luxe om alleen op sleeptouw te worden genomen. Onderweg komen we altijd wel iemand tegen die Ahmed kent, overal een praatje. Zonder uitzondering leven hier enkel arme Amazigh. De plattelandsvlucht is duidelijkst als we passeren op plaatsen waar twintig jaar geleden nog bewoning was en nu enkel nog ruïnes. Vrouwen doen de was, sprokkelen droog hout, hoeden schapen en geiten. Ahmed legt me uit hoe essentieel het water is voor deze gemeenschappen, er is een fijnmazig systeem van irrigatie maar over het uitblijven van de regen is hij formeel: ‘Een catastrofe!’

Ik informeer naar de Koning die hij alle lof toezwaait omdat hij de rijkdom eerlijk verdeelt. Voor de rest: een torenhoge werkloosheid. Mensen leven van dagjobs, wat zich aandient, zoals Ahmed met mij vandaag op stap is en morgen misschien terug in het restaurant terecht kan. Stabiele jobs zijn blijkbaar een zeer schaars goed in deze regio. Velen moeten scharrelen tot aan hun dood want pensioen en sociale zekerheid zijn voor deze groepen niet voorzien.

Toch is de natuur overvloedig: via granaatappels, kruiden, pruimen, olijven, het graan voor de couscous en zo oneindig veel meer. Er is een hoge mate van zelfvoorzienigheid maar ook een enorme kwetsbaarheid voor deze dorpelingen.

Als de gîte vol zit met vakantiegangers dan worden veel vrouwen van de nabijgelegen huizen ingeschakeld in het bereiden van de groepsmaaltijden. De moeder van Miki heeft opnieuw een supertagine klaargemaakt, ik zou normaal deze middag overslaan maar dat zou nu hoogst onbeschoft zijn.

Deze namiddag trekken we naar Tafoughalt, de grotten van Zeghzel, de Grotte des Pigeons waar prehistorische schedels uit het Paleolithicum zijn aangetroffen. Er is een half uurtje pauze waarbij ons eten wat kan zakken.

Namiddag. We proeven van peulvruchten en de ezel is een zeer intelligent dier, zegt Ahmed. Ik leer zoveel bij van deze man wiens Frans veel uitmuntender is dan mijn gesukkel en gestamel.

Gedachten. Hoe graag ik het ook zou hebben, ik vrees dat deze dorpen ten dode zijn opgeschreven bij ongewijzigd beleid. De lokroep van de stad is zoveel groter dan het overleven in deze dorpen waar een groot deel van de vrouwen de was nog doet met de hand en hun tapijten zelf weeft.

We zijn net voor de duisternis thuis. Ahmed heeft me zowat alle bezienswaardigheden getoond: van de oude grotten tot versterkte burchten uit de Franse koloniale tijd tot graven van moejahedin die hun leven hebben gelaten in de woelige jaren vijftig. De dorpelingen  noemen Ahmed eigenlijk Moulay Ahmed omdat hij zo goed kan vertellen en daar is niets van gelogen. We staan stil bij een Frans kanon dat op een heuveltop is achtergelaten door de kolonisatoren. We maken een praatje met de hoofdverpleegster van het lokale hospitaal (het eerste rurale in zijn soort), we drinken koffie in het café waar Ahmed morgen terug van dienst zal zijn. Een jobhopper door de omstandigheden gevormd!

Ik informeer naar het loon van de arbeiders die voor de olijfbomen zorgen rond het huis, ze zijn een paar dagen ingehuurd. Voor een hele dag werken verdienen ze honderd dirham , een schamele tien euro. Het leven mag dan al goedkoper zijn, elk vergelijk met de loonnorm in België is zoek. Dan ben ik blij straks Ahmed het vierdubbele te kunnen aanbieden.

Ahmed is een gids naar mijn smaak. Hij is bescheiden, vertelt de essentie en laat de vragen van zijn publiek komen. Van mij dus. En stiltes hoeven niet per se krampachtig te worden opgevuld. In de gîte aangekomen start hij met de houtkachel te stoken voor de douche en haar en daar kleine reparaties uit te voeren. Ik zit zonder belwaarde en ben benieuwd hoe Sofie en de kinderen het stellen. Het avondmenu is terug van een uitmuntende kwaliteit: gebakken aardappelen in een saus met olijven, gegrilde artisjok.

Vrijdag 1 april

Na een alweer heerlijk ontbijt met Marokkaanse pannekoek – gringo in het berbers- is het tijd om Tafoughalt te verlaten. Als we met de plooifiets naar boven ploeteren toont Ahmed me nog het graf van zijn vader, moeder en jongere broertje.

De tocht naar Ain Ainoun is alweer de moeite waard. Na een stevige klim gaat het nu lange tijd bergafwaarts en na tien kilometer is er één lange kaarsrechte weg langs olijfgaarden en amandelstruiken naar Ain Ainoun. Het landschap is desolaat en toch hier en daar fel in bloei. Er is nauwelijks verkeer en ik voel me erg gelukkig, zelf een beetje zen. Een Belgische gouvernementele organisatie ondersteunt de amandelteelt.

Ain Ainoun. Ik laat mijn fototoestel even nakijken en de schade is enkel uitwendig, een meevaller. De rit naar Guercif kost 38 dirham met de trein. Het is weeral een fantastische ervaring. Ik nestel me in een coupé waar me voortdurend eten wordt aangeboden. Meteen ook hartelijke gesprekken, helaas niet met de conducteur die vindt dat plooifietsen niet op Marokkaanse treinen thuishoren. Negeren maar.

Sms van Sofie dat ze net een kamelentocht achter de rug hebben maar dat Nathan ocharme sterk naar huis verlangt. Naar cavia en poes. Kameel is stom.

Een man van veertig duidt me op de nog extremere miserie van arme Amazighgezinnen ten zuiden van Oujda. Hij twijfelt om een vierde kind te nemen omdat hij de kloof met de leefwereld van zijn kinderen als erg groot ervaart. “De mensen verkiezen tegenwoordig meer geld dan waarden”, zegt hij. De trein slingert zich aan een redelijk tempo via Taourirt door een zeer droog en keiig landschap naar Guercif. Aan de man met de baard deel ik een flyer uit van de avond die we in Lokeren hebben georganiseerd over Abdelkrim el-Khattabi. Hij vindt dat geweldig en is sterk verrast.

Er volgt een lang gesprek en hij vraagt me wat ik van de islam vindt. Ik ontwijk de vraag een beetje door te zeggen dat het niet aan mij is om daar een opinie over te hebben en dat ik in elke religie en wereldbeschouwing interessante elementen probeer te ontdekken (misschien denk hij nu : fucking eclecticus …). Hij fronst een beetje bij mijn voorbeeld over boeddhisme. Het vredevolle, het bijwijlen zich naar binnen richten: ik noem enkele elementen waar ik enkele gelijkenissen met de islam meen te ontdekken. “En als we het boeddhisme nu eens horizontaal en islam verticaal zouden definiëren?”, probeer ik. Er zijn nauwelijks nog christenen in Europa, meent hij. Ik beaam dat we een vergaande mate van secularisering kennen in mijn land. En ook al hebben we nog zoveel uit te wisselen, ik moet afstappen want Guercif is in zicht. Ik deel nog net mijn naamkaartje uit. Er zijn meteen drie tot vier helpende handen om al mijn inboedel te helpen afladen. Het is telkens weer genieten van al die behulpzame handen.

Aan de verbaasde blikken af te lezen moet het lang geleden zijn dat er nog eens een Belg met een plooifiets in korte koersbroek (zoals ik het nu schrijf lijkt het wel een prelude van een mop , er was eens een …) in april door de stad heeft gefietst. Maar er zijn tegelijkertijd tientallen vriendelijke blikken, knikken, handgebaren, salaams, zelfs duimen.

Guercif doet me een beetje aan Taza denken maar dan alles kleiner en kalmer. Het weer is geweldig en ik wil deze avond een stukje in (de richting van) de woestijn fietsen. Intussen is hotel Milano boeken een al even hilarische ervaring. Een gesluierde vrouw komt met een wisselbiljet van vijftig teruggedanst, ze lijkt echt wat uitgelaten met die vreemde snuiter als gast.

Zoals overal in Marokko wordt er op straat overal handel gedreven: stootkarren met jonge bananenverkopers, een man met verschillende soorten nootjes in een kartonnen doos die ooit voor waspoeder dienst deed, het handvat met tape versterkt. Er zijn veel vrouwen op straat. Prachtige vrouwen in kleurrijke lichte djellaba’s, meisjes die zowel gesluierd zijn als hun lange zwarte haren laten wapperen. Enkelen proberen oogcontact te maken en lonken verleidelijk maar dat ik me na tien dagen zonder Sofie ook langzaam inbeelden.

Ik start mijn stadswandeling maar eigenlijk val ik veel te veel op. Buiten mijn pyjama heb ik niets om me in het openbaar mee te tonen van enige lengte. Koffie op een terras en de voorbijgangers in me opnemen is ook een fijne variant. Voor me staat een grote ton op een verhoog, jong en oud komt er zich gratis laven aan het drinkwater. Guercif is nu al onvergetelijk!

Een wandeling in de buitenwijken van Guercif. Zinneprikkelend. Alle zintuigen tegelijk. Een zigeunervrouw bakt friet, kip en een fantastische salade. Een glimlach van Guercif tot in Taza. Ik zal u vervelen maar ik ben hier echt graag. Enkele doofstomme mannen worden met de grootste elegantie ontvangen en van thee voorzien.

Ik ga nog even fietsen in de buitenwijken met zijn grillige urbane ontwikkeling. Deze uitdeinende stad lijkt een chaotische niet-gestuurde ontwikkeling te kennen. Het is intussen schemerduister en de handel lijkt nog altijd toe te nemen alsof de grootste commerciële slagen nog moeten geslagen worden.

Veel dadels, grondstoffen om te bakken, kippen, levende en dode, de stad heeft geen slaap. Moeders met en zonder kinderwagens slaan in de typische blauwe zakken nog voorraden artisjok, aardappel en noten in. Een man zonder voeten koopt een eend, een man met voeten lost zijn collega in de apotheek af. Geen enkele fietser is verlicht, het verkeer rijdt zich vast en wrikt zich weer los. Guercif bij valavond.

Een laatste koffie! Ik lees over Algerije maar het tafeltje naast me wil alles weten. Lokeren is onbekend hier, ik toon mijn folder van Abdelkrim en de tongen komen massaal los. De gesprekken zijn rudimentair maar hartelijk. We overlopen nog even de slag bij Anoual in 1921. ‘Je bent een nationalist’, zou Bruno De Wever me voor de voeten gooien. Maar onder Hassan II was er gewoon onderdrukking, negatie en racisme voor de Riffijnen, zou ik terugkaatsen. Die geschiedenis mag gekend zijn zonder ze polariserend te gaan cultiveren.

Zaterdag 2 april

Treingesprekken.  Eindigen vaak op de pijnlijke kwestie van de visa. Waarom ik dus zomaar  alle mogelijke landen kan bezoeken en een Marokkaan daar vaak heel veel geld, connecties en tijd moet voor over hebben met vaak dan nog eens een negatief resultaat. Als Marokko daar te kwistig mee zou zijn, zal het land leeglopen, zei Ahmed daarover.

Ander onderwerp dat steeds weer terugkomt als ze horen dat je Belg bent: de aanslagen in Brussel. En wat je daar van vind ? Dat het tragisch is, dat het niet mijn fout en jouw fout is en dat het elke dag in Syrië en Afghanistan en Irak gebeurd. Dat we een aandeel hebben in die haat. Dat geen enkele aanslag waar ook ter wereld ook maar iets rechtvaardigt. Dat IS uit is op destabiliseren. Dat we in complexe tijden leven die meer dan ooit globaal zijn (geglobaliseerd).

Een jonge kerel probeert sigaretten te slijten of schoenen te poetsen. Een nieuwe dag om te overleven is aangebroken voor hem terwijl ik hier van vers stokbrood zit te genieten en een man me innig kust omwille van de dinars die ik hem toestop.

Ik besluit naar Sidi Kacem te treinen en misschien kan ik van daaruit naar Volubilis fietsen? Op de drempel van mijn vertrek uit Guercif ter hoogte van een oude toren waarvan ik vermoed dat het een restant van de kasbah is (versterkte post) krijg ik er nog een pennenvriendje bovenop. Youssouf in een prachtige boernoes gehuld doet me stoppen en vraagt in perfect Frans waar ik vandaan ben. Hij werkte bij de Gendarmerie en is een kranige tachtiger maar het kan meer zijn ook. Hij stelt voor een brief te schrijven, mijn naamkaartjes komen hier verdomd goed van pas. Voor contacten moet je hier geen enkele moeite doen.

Het landschap tussen Guercif en Taza is meer dan spectaculair en meedogenloos mooi. Hier en daar zijn er kleine nederzettingen waar geen elektriciteitspalen naartoe leiden. Het lijkt half-woestijn, toch hier en daar een oase. Ik vraag me af welk soort landbouw hier mogelijk is. Veel herders en olijfbomen, een boer die het land ploegt met zijn ezel. Hoe is het onderwijs en de watervoorziening hier georganiseerd? Af en toe gaat een trein door een tunnel, met de fiets is dit stuk ongetwijfeld loeizwaar.

Tahar Ben Jelloun schrijft in ‘Gewijde nacht’ op pagina zeventig: “Mijn slaap in de open lucht werd niet meer geplaagd door zonderlinge dromen of nachtmerries. Het was een doorzichtige slaap, rimpelloos als een kalme zee, of als een sneeuwvlakte, effen en ononderbroken”. Daar kan ik al een paar nachten niet van meespreken. Deze nacht joeg mijn broer me de kamer uit omdat ik zijn herexamen minimaliseerde. Ik had een bijeenkomst met neven en nichten samengeroepen maar was alle reden en context verloren. Ik sloeg een belabberd figuur. Ik ontmoette ook al Sofie maar op de drempel van de Grote Sprong Voorwaarts werd ik jammerlijk wakker.

Terwijl de trein in Fes langere tijd halt houdt moet ik denken aan de woorden van Achmed, mijn gids van Tafoughalt. Dat de ramadan voor hem de mooiste maand van het jaar is. Het groepsgevoel, de eerlijkheid en de collectieve trouw doen hem dan deugd. Tot daar kan ik volgen of me verplaatsen, het gezamenlijk genot van ‘allen voor één, één voor allen’. Als hij echter toevoegt dat niet-meedoen of toch eten of drinken bij hem op de grootst mogelijke afkeuring rekent, haak ik af. Dat een vrouw ook idealiter zich zoveel mogelijk bedekt met een djellaba is voor mij enkele bruggen te ver. Daarin volg ik liever de schrijver Ben Jelloun als hij stelt : “Ik beroep me tegenwoordig op het recht van vrijheid van denken, van geloven of niet-geloven. Dat gaat alleen mijn eigen geweten aan” (p.93, Gewijde nacht). Aan dit soort passages merk je dat de schrijver gedrenkt is in de Franse Verlichtingsfilosofen als Voltaire en Diderot.

De aarde kent zo van die plekken. Je denkt als je er passeert: het zijn tussenplekken of doorgangsplekken, tot je er 35 kilometer harde tegenwind voorbij Sidi Kacem gaat halt houden en je als een koning wordt ontvangen. De sfeer is er uitgelaten, binnen tien minuten begint Barcelona-Real Madrid, er waren al twee kelners in de loop van de dag die me er attent op maakten. Het moet het belangrijkste feit van de maand april zijn. Ze poken het vuur terug voor me aan, kappen een kotelet en ik schrok alles naar binnen. De weg is verschrikkelijk, gevaarlijk en saai maar de aanmoedigingen doen me deugd.

Bakken limonade en extra tuinstoelen worden naar binnen gesleept. Het café zit afgeladen vol. De muntthee wordt met liters tegelijk gedronken. De Arabische commentator is al na twee minuten in extase. Ik pomp verder en zoek een slaapplaats in Ksar-el-Kebir. De laatste 25 kilometer opent de weg haar doos van Pandora. Op vijftien kilometer een eerste incident(je) van de reis: een psychisch zieke jongen probeert er met mijn groene tas vandaan te gaan. ‘Il est malade à sa tête’, komt iemand me vertellen die in de buurt is. De weg kent putten, wegversmallingen, kiezelstenen en ik moet een smalle strook delen met trucks, brommers en wagens. Ik laat me af en toe in de goot dringen om erger te voorkomen, in het pikkedonker en Ksar-el-Kebir  dat maar niet wil naderen wordt het een helletocht. Dan toch: ongeschonden in het centrum. De parkeerwachter duwt me haast naar hotel Gharb en voor 7 euro kan ik slapen, Albanese prijzen. Een tandeloos vrouwtje laat weten: geen douche en geen warm water. Die parkeerwachter is trouwens ook dronken of heel erg stoned maar staat erop dat hij mijn plooifiets naar het vijfde verdiep sleurt. Toch wel erg wankelend slaagt hij in zijn missie, zijn fooi dankbaar in ontvangst nemend. Na de sobere wasbeurt verbaast het me dat ik nog het laatste kwartier van de wedstrijd van het jaar kan meepikken. Het staat 1-1 en elke stoel is ingenomen.

Een interessant moment: als de muezzin oproept voor het avondgebed gaat het geluid gedurende twee minuten uit, iedereen blijft even verbeten kijken. De match kantelt in het voordeel van Real, je ziet Barcasupporters werkelijk wegkwijnen in hun stoel en als de scheidsrechter affluit, loop het café op twee enkelingen en mij na compleet leeg. De kelners kunnen starten met het opvegen van de omhulsels van de pinda-en andere noten.

Onderweg waren er meerdere jonge kerels die mee fietsten. Keer op keer hartelijke gesprekken. Met Otman bijvoorbeeld. Werkt als opzichter in een school maar van zijn zeer karige loon is hij al drie maand niet betaald. Hij is zich zeer scherp bewust van de enorme kloof tussen rijk en arm in Marokko. Zijn geloof zegt hem dat iedereen uiteindelijk voor Allah in de hemel verantwoording zal moeten afleggen. En dat we daar dus wel gelijk zijn. Geloof dat de maatschappelijke verschillen aanvaart (en in het hiernamaals worden verrekend) lijkt me een droomscenario voor de rijken. Hij is 39 en een bruidsschat kan hij of zijn familie onmogelijk betalen. Ik zeg tegen Otman: ‘Sommige dingen zijn erg simpel in Marokko en andere ontzettend complex’. Otman kan zich vinden in die analyse.

Tot laat in de avond waren ook deze avond wegenwerkers met zwaar geschut in de weer, werden artisjokken in de velden gesneden en appelsienen verkocht. Ik vraag er drie. Neen, geen drie kilo. Neen, geen drie zakken. Uiteindelijk valt de dirham en moet ik zelfs niet eens betalen. Een schilmes krijg ik er gratis en voor niets bij.

Dit volk is zo hartelijk, ik ken geen enkel vergelijk. Geen inspanning is hen te veel en altijd weer willen ze een praatje maken en het voelt nooit opdringerig aan maar altijd authentiek en vanuit een interesse in de Ander. Echte Levinassers! Zelfs op de meest gore plekken waar koeien staan te grazen tussen hopen afval en brandend puin komen mensen hier ontzettend graag samen, om het leven te vieren en gewoon samen te zijn.

Ik zie ook veel vrouwen samen optrekken, op het veld werken, op een kar zetten en van het veld terugkeren. Samen is inderdaad uitzonderlijk maar ik frequenteer dan ook vooral mannenbastions als cafés en eethuizen.

Het is over slaaptijd voor me.

Zondag 3 april

Met twee uur vertraging in Tanger geraakt. De stad ziet er nog net dezelfde uit als verleden jaar. De plek van de kanonnen is snel gevonden. Er wordt  veel op straat gekocht en er is de armoede van de kinderen die bedelen aan de bakkerij volgestouwd met lekkernijen zoals alleen Marokkanen zoete schotels kunnen stapelen. Stootkarren, sieraden, jeansbroeken. De koffie in de bakkerij komt van het café enkele huizen verderop. De sfeer is zalig, misschien kom ik Abdelkader Benali of Tahar Ben Jelloun nog tegen.

Ik besluit een brief naar Zohra te schrijven, ik ben in haar stad. Aan de Petit Socco begint het me te irriteren. Hier ben je duidelijk geen bezoeker meer (zoals in Guercif bvb) maar toerist. Alle niet-Marokkanen worden voortdurend belaagd met spullen. Het voelt als diepe vernedering aan en vervult me met weerzin: straatverkopers die haast smeken aan Duitsers en Spanjaarden dat ze een kraaltje kopen of een badge met Tanger op. Toeristen voelen zich ongemakkelijk en weten niet wat ze met al die verzoeken aan moeten. Ik wil deze plek zo snel mogelijk ontvluchten. De overgang van plekken waar nooit toeristen komen en Tanger is me te groot.

Het centrale plein in deze immense stad. Donkergekleurde jongens met sterk gehavende gezichten snuiven lijm. Welgestelde toeristen passeren hen, ze zijn wellicht al overal weggejaagd en doen me denken aan het hoofdstuk ‘De Vergetenen’ van Ben Jelloun in ‘Gewijde nacht’: ‘Al degenen die u hier ziet, waren arme lui, bedelaars, daklozen, zieken. U bent hier in de grote hal van de veemarkt. Op een dag werd er opdracht gegeven om de stad schoon te vegen (…). We waren het vuile en ongewenste gezicht van het land. Dat beeld moest worden uitgewist, dat volksdeel moest worden verbannen, uit de weg geruimd’. (p.188)

Maandag 4 april

Tanger verlaten. Langzaam. Nog zoveel mogelijk in me opnemen. En enkele noodzakelijke spullen aanschaffen. Mondspoelwater voor een onrustige kies. Ook twee live CD’s van Oum Kalthoum. Olijven, stokbrood en yoghurt voor de laatste veertig kilometer in Marokko. Zeer interessant bezoek en gesprek in boekhandel ‘Les Insolites’ in de Rue Khalid Ibn Oualid, niet alleen een oase van literaire rust maar ook een scherp gesprek met de verantwoordelijke. Laat ik haar Fatima noemen. Mijn waardering voor ben Jelloun –we hebben snel een gesprek over Benali, Bowles en Choukri- deelt ze niet met mij. Ze vindt hem gemakzuchtig, op afstand, niet geëngageerd, altijd klaar met kritiek maar niet echt betrokken op Marokko. ‘Ons land is arm, heel veel mensen zijn niet met literatuur maar met overleven bezig en er is nood aan goede culturele educatieve programma’s in scholen, ook buiten de steden. Houdt Jelloun zich daar mee bezig. Nee, enkel kritiek spuien en aan de zijkant vanuit een gepriviligieerd Parijs grote principes verdedigen’. Ik meen kort door de bocht te concluderen: het is een arrogante stem op verre veilige afstand. ‘Bovendien zijn er heel veel andere steengoede frisse en betrokken schrijvers in dit land die meer aandacht verdienen’. Ze windt er geen doekjes om, we wisselen kaartjes uit. We zouden langer moeten uitwisselen.

Peperdure ressorts en riads voor de steenrijken zijn een deel van mijn zicht als ik Tanger verlaat maar ook een arme oude vrouw die een geweven doek tracht te slijten, een zieke man die in zichzelf staat te prevelen, de kruiwagen met de lekke band. Eén constante: wie werk heeft, werkt. Daar veranderen maandagen of zondagen niets aan. In de informele economie waar je geen pensioenrechten of sociale zekerheid opbouwt is elke ‘boulot’ te nemen of iemand anders is er mee weg.

De laatste fietstocht. Un peu mourir. De bouwwoede van de projectontwikkelaars houdt dan toch op, maar dan begint pas de loodzware fietstocht. Marokko laat je niet zomaar naar huis gaan. Eerst moet ik nog een paar keer krom alles geven, meter voor meter, mijn neus in de richting van mijn voorwiel. Er waait een sterke wind, zeker  als ik boven ben blaas ik bijna van de weg, af en toe zijn er vlagen motregen. Op een heuveltop klop ik aan bij een oude man. We verstaan elkaar voor geen jota, zelfs ‘café’ doet geen enkel belletje rinkelen. Hij zet me een glas water voor. Voor koffie moet ik verder fietsen.

De reis eindigt in een complete spraakverwarring. Het kosmopolitisme en meertalige van Tanger is al weer ver weg. Ik moet de volgende keer toch een minimum Arabisch achter de kiezen hebben. Een fles melk van enkele vrouwen langs de weg is een hele belevenis, rukwinden slingeren me haast tegen een taxi. ‘Un peu mourir’ kan ook nog ‘la morte rapide’ worden. Ik ben blij dat ik een dikke halve dag heb uitgetrokken om de haven te bereiken. Als een relaxte slak kan ik nu de laatste tien kilometer overbruggen want die zijn merkelijk platter.

Alle regen die de afgelopen maanden niet is gevallen valt nu. Met bakken tegelijk! Al mijn bagage is doorweekt en ook ‘Noem mij vrouw’ van de Zuid-Afrikaanse Ellen Kuzwayo, een ijzersterke getuigenis van de tragische apartheidsjaren is aan drogen toe. Ik vul mijn tijd in een doorrookte wachtruimte en schrijf brieven naar Katrien en Naïma. De structuur voor de nieuwe powerpoint zit in elkaar alsook een vragenronde, Vormingplus , here I come. Er zijn voorstellingen gepland in Lebbeke, Wetteren en Sint-Niklaas. Wellicht ook in Mechelen. Heb er heel veel zin in, wil verhalen naar buiten brengen.

Dinsdag 5 april

Een bijzondere kajuit. Driss van ooit Rabat heeft gediend in het Vreemdelingenlegioen van de Franse staat. Zag “dingen die mensen zich niet kunnen voorstellen”.  In Djibouti, Sarajevo tot zelfs het Amazonewoud. De andere compagnon heeft ouders en voorouders uit Tafoughalt en woont nu in de buurt van Parijs. Hij is informaticus in een grote industriële maalderij van bloem die naar de hele wereld uitvoert. Een praatgrage kerel die geïnteresseerd is in mijn fietsroute en interessante nieuwe elementen over Tanger kent. Dat er nog altijd zeven kerken zijn en een actieve Christelijke gemeenschap. Dat de joden in Tanger ooit zeer actieve handelaars waren. Dat het noorden van Marokko onder Mohamed VI een grote ontwikkeling heeft gekend maar dat historische plekken beter zouden moeten ontwikkeld worden.  

Dagje varen. Er is af en toe wat zon op het dek, ik laat mijn schoenen drogen en lees een interessant interview van rare vogel Paul Bowles. Zegt enkele markante zaken als: ‘Alles is voortdurend aan het verdwijnen als het over Marokko gaat. Omdat Marokko  zelf verdwijnt. Elke minuut wordt het minder Marokko, meer Europees’. Het is een proces dat Bowles al sinds 1931 vaststelt, toen hij voor het eerst in Tanger arriveerde.

Woensdag 6 april

Wat fietsen in de buitenbuurten van Barcelona. Onderwijl terrasjes doen en ‘Le temps des erreurs’ van Mohamed Choukri lezen. Als éénentwintigjarige in 1956 gaat hij terug naar school, hij is er een complete analfabeet. Hij slijt zijn leven tussen daklozen en prostituees. Zijn motivatie is opmerkelijk, zeker vanuit het marginale milieu waarin hij vertoeft: ‘La vraie vie, ik faut la chercher dans les livres’. Hij wil de goot van Tanger afsluiten: ‘Je préfère étudier. Ce que je fais là-bas ne me plaît pas’ (ik verkies te studeren, wat ik daar doe bevalt me niet). Maar hij worstelt tussen een leven op de schoolbanken of op straat: ‘Je me sens triste, coupable. Ma place n’est pas ici. Je viens de la tribu des satyres, des forbans, des contrebandiers et des putains’.

Lang en interessant gesprek met Eva van het project ‘Terram’. Ze maakt me wegwijs in de wereld van transitie in Barcelona. Samen met haar vriend organiseren ze als architecten workshops rond ecologisch bouwen voor alle geïnteresseerden in de hoop om er later een businessmodel te kunnen uit puren. Hun ‘Construccio Sostenible Amb Terra’ bestaat uit een tijdelijke constructie. Ze mogen een stuk terrein van het nabijgelegen museum voor drie jaar gebruiken. Op mijn stadskaart duidt ze ook aan waar andere projecten zich bevinden: Repair Cafés, samenhuisprojecten, stadslandbouw. Spectaculair is het voorlopig niet voor een wereldstad als Barcelona. We komen al vlug bij het thema van de burgemeester van Podemos terecht.

Ik denk dat Eva de zaken realistisch inschat: een stad is een gigantisch radarwerk met heel veel spelers, ook hele kapitaalkrachtige. Dat is een enorme tanker die je niet zomaar met een andere floppy van koers doet veranderen. De burgemeester Ada Colau zal zeker meer sociale accenten leggen en buurtopbouwwerk stimuleren. De platenboerin (ik schaf me iets voor half-Indische dochter Anna van Ravi Shankar aan) waar ik eerder mee babbelde vond echter dat het taxeren van allerlei kleine zelfstandigen een foute beleidskeuze is, omdat veel kleine handelszaken nu al het water aan de lippen staat. Het beleid zou volgens haar zijn fiscale pijlen moeten afschieten op de grote concerns, maar we weten dat zoiets strijd vraagt en niet vanzelf komt.

De armoede is trouwens veel dieper dan het gene je zichtbaar ziet: daklozen die in de containers naar verkoopbaars zoeken is maar het topje van de ijsberg van uitsluiting. Hetzelfde verhaal van Granada in 2015: mensen wonen in grotere woonunits uit noodzaak of gaan terug bij hun ouders wonen. En de lonen van de armen gaan nog altijd in neerwaartse lijn. Spanje evolueert zo meer en meer naar een Zuid-Amerikaanse context: een rijke toplaag, een verarmde middenklasse en een leger mensen die helemaal op de dool zijn.

Het contrast met de opgetutte Ramblas en enkele zijstraten verderop is inderdaad zeer zichtbaar. Ik eet een slaatje in de Arabische wijk waar Aziz uit Tetouan me bedient. De continenten raken elkaar weer.

Donderdag 7 april

Montpellier. Bijna thuis, nog duizend kilometer. Interessante babbel met een familie uit Kontich die net een cruise van tien dagen achter de rug heeft. We delen de ervaringen van Tanger: “Veel Amerikanen zijn in Tanger zelfs niet afgestapt van de boot, ze willen met islam of armoede niets te maken hebben”. Het koppel vertelt hoe degoutant die rijke Amerikanen zich gedragen, omringd door diamanten en decadentovervloedige maaltijden. “Dan ben ik blij een eenvoudig sloepje te hebben gehad”, vul ik aan. Ik deel nog een kaartje uit aan een Chinese studente die altijd in de caravan terecht kan.

Tijd voor een laatste round-up, een resume nu ik na vijftien dagen weer thuiskom:

  1. Reizen met een plooifiets is een zot maar haalbaar idee in Marokko
  2. De Marokkanen die ik ontmoet heb getuigden van een enorme openheid, interesse en vriendelijkheid
  3. De meest interessante plekken op reis zijn die waar nooit/weinig toeristen komen
  4. De gesprekken met Mustpha en Najib waren een absolute meerwaarde en gaven een kritische verdieping aan de verdere kennismaking met Marokko. Ik ben Amal en Sietske dankbaar voor alle hulp.
  5. De goesting is gewekt om nog een derde keer naar Marokko te trekken, maar dan om “ L’Oriental “ dieper te verkennen en bij uitbreiding iets te begrijpen van het leven aan/in een woestijn (maar eerst naar Nederland)
  6. Is de trek naar overvolle steden en uitzichtloosheid op het platteland nog te keren?
  7. Hoe moeten we het fenomeen van de hoge bruidsschat begrijpen in de Marokkaanse  samenleving?
  8. De kloof tussen extreem arm en extreem rijk is zeer zichtbaar in Marokko. Kan het ontwikkelen van een begin van sociale zekerheid daar iets aan verhelpen?
  9. Het waardenkader van veel Marokkanen is islamitisch (kijk op positie van de vrouw, verwerpen van de leer van Darwin …) maar het gros van de Marokkanen zijn met economische en het leven op aarde bezig.
  10. Er is ontzettend veel informele economie, en wie werk heeft , werkt. Ongeacht hoe lang en op welk tijdstip.

Deze reis is goedgeweest, Marokko weldadig voor mijn ziel ,

Stefaan Segaert, 7 april 2016